Verhaal

Woningnood in Zwolle 1917

Auteur: 
Sjaak Onderdelinden

Honderd jaar geleden in de Zwolsche Courant

Woningnood is er eigenlijk altijd. In de tweede helft van de 20ste eeuw kwam dat door de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog en, toen het eindelijk vrede was, de explosieve groei van de bevolking. Heel wat jonge echtparen moesten bij de schoonouders op zolder beginnen, en dat ging niet altijd goed. Dus zijn in de 21ste eeuw de single-woningen niet aan te slepen. Zo moet er dus nog steeds dapper doorgebouwd worden, alleen is de huidige woningnood een luxeprobleem geworden. Dat was honderd jaar geleden wel anders.

Er bestaat in die tijd een Algemeene Coöperatieve Zwolsche Bouwvereeniging en die belegt een vergadering over de volkshuisvesting, hoe ze is en hoe ze dient te wezen. Het bezoek was maar matig. Waar dat nou toch aan lag? Men had nog wel een gerenommeerd spreker aangetrokken, de heer Z.Gulden, raadslid en architect te Amsterdam. De hoofdstad was, als bekend, gezegend met hartbrekende krottenwijken met ten hemel schreiende woontoestanden, dus die meneer Gulden zat midden in het probleem. Maar ook Zwolle heeft krotten te veel en nette arbeiderswoningen te weinig, zodat de Bouwcoöperatie de heer Gulden uitgenoodigd had een plan te maken voor den bouw van een aantal arbeiderswoningen bij den Schellerweg, een tuindorp van 324 ruime woningen.

Bij de presentatie van dit plan mag de architect een praatje houden over zijn tweeledige vak: politieke èn bouwkundige bestrijding van de woningnood. Als gebruikelijk begint hij met een greep in de historie, die echter schrikbarend genoeg nog naadloos overgaat in de actualiteit: al in 1855 heeft Koning Willem III een woningonderzoek laten instellen, en dat wierp een schel licht op de vreeselijke toestanden die er heerschten in de ongezonde, schrikwekkende woningen, volgens het rapport haarden van besmettelijke ziekten, die ook de huizen der meer beschaafden bedreigden. Die uitdrukking, “de meer beschaafden”, laat zien dat de woningnood niet alleen een sociaal, maar ook een politiek probleem is: woningnood is klassenstrijd.

Maar die klassenstrijd wordt pas duidelijk als er ook duidelijke klassentegenstellingen zijn, en daartoe moest er eerst een behoorlijke arbeidersklasse  ontstaan. Dat gebeurde pas tijdens de industrialisering, die ook een explosieve groei van de steden meebracht. Die stelde het probleem wel op scherp, maar gedaan werd er nog veel te weinig, zoodat thans (1917) nog in Zwolle in 37 woningen 220 gezinnen wonen. In welke wijk dat was, staat er helaas niet bij… Spreker Gulden legt schuld bij de politiek, die uiterst traag is in het verstrekken van bouwvergunningen, maar ook bij grondeigenaren, die in hun winstbejag de woonkwaliteit ernstig verwaarlozen. Spreker maakt er een schoolvoorbeeld van klassenstrijd van: De grootste medewerking wordt echter geeischt van de arbeiders, die door de vakvereenigingen te versterken hun loonen verbeteren moeten, want loon- en woningvraagstuk hangen ten nauwste samen. Betere huizen moeten noodwendig duurder zijn, dus moeten de loonen omhoog. Zo, dat was duidelijke taal, jammer dat er ter vergadering zo weinig arbeiders waren.

Een fors probleem was dan ook de organisatiegraad van de arbeiders. Ook hier wreekte zich een bekend economisch principe, namelijk de aloude kwestie van vraag en aanbod. Als er veel vraag naar weinig woningen is, schieten de prijzen omhoog, zei de heer Gulden, vooral in dezen tijd, nu het gebrek aan huizen den huisjesmelkers gelegenheid geeft hun huren op te drijven. Daartegen helpt dus vooral frontvorming en gezamenlijk optreden van de belanghebbenden.  Die Coöperatieve Bouwvereniging is een prima middel, maar dan moeten de arbeiders wel actief worden. Als je hard moet werken en rottig woont, ontbreekt de energie om daar wat aan te doen. Dat heet uitbuiting. Daarom waren er bij deze belangrijke vergadering maar zo weinig arbeiders.

Reacties