Verhaal

Wie waren de patriotten en waarvoor stonden zij?

Auteur: 
Clemens Hogestijn

De leden van het 'monsterverbond' van Patriotten waren niet in de laatste plaats te vinden in een landgewest als Overijssel. Het ging hier vooral om regenten van de steden Deventer, Kampen en Zwolle, die waren vertegenwoordigd in de Staten. Ze verlangden terug naar het tijdperk zonder stadhouder van de jaren 1702-1747, waarin hun macht niet kon worden ingeperkt door de prinsen van Oranje. Bij deze bestuurders sloten zich democratisch gezinden aan, die zich verzetten tegen de besloten regeringscolleges, zoals de stedelijke besturen met hun 'achterkamertjespolitiek' wel werden genoemd. Toch bestonden tussen deze groepen belangrijke principiële tegenstellingen.

De regenten wilden eerst en vooral meer macht voor zichzelf en waren gericht op behoud. De democratisch denkende heren daarentegen maakten zich sterk voor een bredere samenstelling van de stedelijke ‘regeringen’. Dat betekende: meer kiezers, bestuurders uit bredere groepen burgers, medezeggenschap en inspraak oftewel een volksregering. Dergelijke, democratischer samengestelde, stadsregeringen zouden, zo was het idee, op hun beurt gaan zorgen voor een bredere vertegenwoordiging van de bevolking in de Staten van de provincies.

De uit Deventer afkomstige Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825), die zich zou ontwikkelen tot de theoreticus van de Patriottenbeweging, sprak in dat verband van ‘eene soort van regeering, in welke de leden der maatschappy, of burgeren, hunne gemeene zaaken zelve bestieren, of deze aan anderen, door meerderheid van stemmen verkozen, ter bezorging aanbevelen.’

Rumoerige jaren tachtig

Politiek ontevredenen vonden elkaar vanuit allerlei staatkundige en religieuze richtingen. De Patriotten overbrugden bovendien een oude politieke, ook cultureel bepaalde, kloof: die tussen stad en platteland. Want buiten de steden, waar de adel in de armere landgewesten nog een grote invloed had, waren zij eveneens te vinden. Een zwaartepunt van de Patriottenbeweging kwam te liggen in de drie al genoemde IJsselsteden Deventer, Kampen en Zwolle én op het Overijsselse platteland. Maar ook Holland, Groningen, delen van Gelderland en de stad Utrecht telden veel Patriotten.

Wat men gemeenschappelijk had, was vaak toch heel verschillend en onvoorspelbaar en ook de doelen waren daardoor weer tegenstrijdig. Wat de Patriotten samenbond, was hun gemeenschappelijke afkeer van het stadhouderlijk bewind. De Verlichting, de grote intellectuele vernieuwingsbeweging die in de achttiende eeuw zoveel heeft betekend, vormde voor hen allen een bron van inspiratie. Wat hen verder verenigde was minder duidelijk. De ‘democratische vleugel’ ijverde, zoals gezegd, voor gekozen vertegenwoordigers in de stedelijke besturen en een bescheidener positie van de stadhouder. De ‘aristocratische vleugel’ ging dat eigenlijk al veel te ver.

Soms speelde de tegenstelling Patriotten-Prinsgezinden geen enkele rol, bijvoorbeeld wanneer economische belangen in het geding waren. Soms ook stapte men ogenschijnlijk gemakkelijk over van het ene naar het andere kamp. Zo kon het gebeuren dat de jaren tachtig van de achttiende eeuw tot de rumoerigste uit de Nederlandse geschiedenis gingen behoren. Een zeer uitgebreide stroom pamfletten legde daarvan getuigenis af.

Aristocratische Patriotten

Hoewel het zwaartepunt van de beweging van de Patriotten lag in delen van de landgewesten, vooral in Overijssel en Gelderland, waren hun geestverwanten ook elders te vinden. De belangrijksten van hen waren anti-stadhouderlijke ofwel staatsgezinde leden van de stedelijke besturen in de zeegewesten, met name in Holland. Ook daar was vaak sprake van een monsterverbond, maar deze regenten voelden zich hoe dan ook wél superieur ten opzichte van hun geestverwanten uit de landprovincies. Voor een welvarend Amsterdams ‘regeringslid’ – een heerschap met internationale commerciële connecties dat zich lid waande van de imaginaire Respublica Literaria, de ‘Republiek der Letteren’ – was een kale landjonker uit Overijssel natuurlijk welkom om zijn politieke standpunt te steunen. Sociaal en vooral economisch gezien vormde laatstgenoemde voor eerstgenoemde echter geen partij.

De vooruitstrevende jonkers uit de buitengewesten en de Hollandse stadsregenten vormden een coalitie van ‘vaderlandsche regenten’. Vertegenwoordigers van deze, zoals latere geschiedschrijvers hen noemden, ‘aristocratische Patriotten’ kwamen enkele malen bijeen op landelijk niveau. Bij die gelegenheden spraken zij gezamenlijke strategieën af en bundelden zij lokale activiteiten.

Gerhard Dumbar (1743-1802), stadssecretaris en geschiedschrijver van Deventer, behoorde tot de gewaardeerde deelnemers aan dergelijke samenkomsten. Hij gebruikte, zoals veel van zijn geestverwanten, graag historische argumenten om de standpunten van de Patriotten kracht bij te zetten: ‘Alles uit den grond ophalen en den langzamen voortgang der gebeurtenissen volgen, om dus te toonen door welke oorzaken en langs welke wegen de dingen die wij thans vinden in den tegenwoordigen toestand zijn gekomen.’

Democratische Patriotten

De burger- of democratische Patriotten vormden een nog veel heterogener gezelschap dan hun aristocratische verwanten. Tot hen behoorden intellectuelen, maar ook gezeten burgers, ambachtslieden en eigengeërfde landbouwers die buiten overheidsambten werden gehouden. Daarbij kwamen voormannen uit de kleine steden, godsdienstig achtergestelden als katholieken, dopers en lutheranen, maar ook gereformeerden die ontevreden waren over de rechtzinnige koers van hun kerk. In Deventer speelden de gilden een vooraanstaande rol. Aanvankelijk vormden deze een kern van de patriotse beweging. Later wisten Prinsgezinden hen over te halen tot deelname aan hun kamp en daarmee raakte de patriotse factie verscheurd. Ook in andere plaatsen veranderde de samenstelling van de patriotse coalitie soms, vooral wanneer gevoelens van onvrede niet meer het belangrijkste bindmiddel vormden.

Al deze politiek monddode burgers wilden zich emanciperen, zich los maken uit als drukkend ervaren politieke en bestuurlijke systemen. Zij verlangden voor de toekomst naar gelijkheid voor de wet van álle burgers. Godsdienstige tolerantie en medezeggenschap in het openbaar bestuur zouden daarvan een logisch gevolg zijn, zo meenden zij. Die zeggenschap moesten zij in elke stad en elk plattelandsdistrict afzonderlijk bevechten en hun succes of falen was daarom zeer afhankelijk van de plaatselijke situatie.

Bij dit alles was het gebruikelijk te spreken over ‘het volk’, maar daarmee bedoelde men in feite alleen het eigen milieu; het ‘grauw’ of ‘gepeupel’, telde op geen enkele wijze mee.

Samenwerking

Ondanks alle verschillen was samenwerking op bovengewestelijk niveau geboden, omdat er nu eenmaal ook gezamenlijke punten op het programma stonden. Daarbij ging het niet in de laatste plaats over het waarborgen van de rechten van het volk. Ook de internationale positie van de Republiek moest worden versterkt. Ten slotte ging het om het beschermen van democratische ontwikkelingen tegen ingrijpen van buitenaf. Niet zonder reden, zoals in 1787 zou blijken. Voor de realisatie van dit programma moest worden voorkomen dat de stadhouder te veel macht kreeg en diende het volk het recht te hebben om zich te bewapenen. Bovendien golden het recht van vereniging en vergadering en de vrijheid van drukpers als onmisbare voorwaarden. Daarmee kwamen de grondrechten, de rechten van individuele burgers tegenover de staat, in beeld. In internationaal perspectief waren de erkenning van de Verenigde Staten en een verbond met Frankrijk van belang.

Aanvullend speelden in Overijssel onder andere de typisch regionale kwesties van de rostendiensten mee. De edelman Joan Derk van der Capellen tot den Pol ageerde in woord en geschrift tegen deze verplichting voor de boeren om een paar dagen per jaar gratis te werken voor de drost; een hoge edelman die het bestuur in handen had in een van de kwartieren, Salland, Twente of het Land van Vollenhove. In 1781 publiceerde Van der Capellen, anoniem, het pamflet Aan het volk van Nederland, waarin hij het beleid van stadhouder Willem V scherp veroordeelde.

Een scherpe breuk met het verleden beoogden de Patriotten zeker niet. Publicisten uit hun kring hechtten eraan de continuïteit te benadrukken. Zij presenteerden hun ideeën bijna zonder uitzondering als een terugkeer naar een geïdealiseerd verleden.

Tussen oud en nieuw

Patriotten namen uit ideeën en stelsels van ‘verlichte’ auteurs allerlei gedachten, denkbeelden en begrippen over. Zij combineerden die tot betogen om de politiek die zij nodig of wenselijk achtten te rechtvaardigen. Het oude en het nieuwe liepen zo in de jaren tachtig van de achttiende eeuw vaak op een ingewikkelde wijze door elkaar heen. Dit verklaart waarom de periode enerzijds als verlengstuk van het Ancien Régime wordt beschouwd en anderzijds als een aanloop naar de latere, liberale democratie.

Hedendaags inzicht heeft echter een eigen waardering van deze tijd gebracht. Juist in dit door elkaar lopen van oud en nieuw, in dit zoeken in, worstelen met en ontstijgen aan het eigen verleden ligt het specifieke karakter van de Patriottentijd. In elk geval mag dat gelden voor enkele vernieuwende gedachten die de Patriotten aan de orde stelden.

Zo moesten de burgers in hun opinie de bron van gezag zijn en blijven, al stelden zij politieke representanten aan. Vervolgens moest politiek meer openbaar worden en het doen en laten van de stadhouders en de regenten meer controleerbaar voor de burgerij. Bij een grotere openbaarheid van bestuur paste vrijheid van drukpers. Ten slotte dienden de burgers van de Republiek actief betrokken te zijn bij het vaderland. Burgercommissies en vooral gewapende burgermilities waren daar de uitdrukking van. Dergelijke commissies en milities verschenen ook in veel Overijsselse steden en dorpen.

Het wereldbeeld van de Nederlandse Patriotten toonde veel verwantschap met denkbeelden van mannen in alle delen van de westerse wereld die verlangden naar ingrijpende hervormingen en volkssoevereiniteit. Dat moest dan wel gebeuren in een vorm die de veiligheid van bezit garandeerde en de bekwamen boven de massa stelde. Hun uitgangspunten ontleenden zij aan denkers als de Fransen Montesquieu (1689-1755) en Rousseau (1712-1778) of de Britten Locke (1632-1704) en Blackstone (1723-1780).

Andere Anglo-Amerikaanse auteurs boden hun de prille Verenigde Staten als hun grote voorbeeld. Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784) greep in dit verband terug op een in zijn tijd populair thema, namelijk dat van de mythische Bataafse periode:

‘Het land hoord ulieden met malkanderen toe en niet den prins met zijne grooten alleen, die ulieden, die ons allen, die Neerlands geheele volk, de afstammeling der vrije Batavieren aanzien en behandelen als hunnen erflijken eigendom, als hunne ossen ende schaapen, dewelken zij naar hun goeddunken of scheeren of slagten kunnen en mogen.’

Verscherpte tegenstellingen

Vanaf 1784 begon een radicalisering van de politieke verhoudingen in de Republiek. Een jaar later trad een fase in die zelfs revolutionair kan worden genoemd.

De ‘vaderlandse regenten’ hadden hun monsterverbond inmiddels meer inhoud gegeven door vanaf 1783 in Amsterdam bijeenkomsten te organiseren. In 1784 volgde een reeks van vergaderingen van vertegenwoordigers van plaatselijke exercitiegenootschappen in Utrecht. Dergelijke bovengewestelijke ontmoetingen leidden tot publicaties die de bekendheid van het Patriotse gedachtegoed vergrootten. Bovendien stimuleerden ze het gevoel van saamhorigheid.

De verscherpte politieke tegenstellingen bereikten in augustus 1786 een nieuw hoogtepunt, toen prinsgezinde troepen de patriotsgezinde Veluwse stadjes Elburg en Hattem bezetten. Hulp door Overijsselse burgermilities was tevergeefs of kwam te laat. De politieke verdeeldheid binnen de Republiek was groot, maar in 1787 kwam – althans voorlopig – een eind aan de strijd. Pruisische troepen grepen toen in, nadat Wilhelmina van Pruisen, de echtgenote van stadhouder Willem V, bij Goejanverwellesluis was vastgehouden door leden van een patriottisch vrijkorps. Vele Patriotten sloegen op de vlucht, naar Frankrijk vooral, toen de sterke Pruisische troepenmacht eenmaal in het land was. Dit abrupte einde van de patriottentijd kwam op een moment dat veel ontwikkelingen nog volop gaande waren en nog geen vaste vorm hadden aangenomen. Het is daardoor moeilijk een helder beeld te krijgen van deze complexe tijd en van de verschillende tegengestelde bewegingen.

Hernieuwde waardering

Het veelzijdige en soms tegenstrijdige karakter van de beweging van de Patriotten, alsmede de levensbeschouwelijke en politieke diversiteit, hebben steeds tot variaties in de beeldvorming geleid. Dikwijls was daarbij sprake van een zekere geringschatting. De achttiende eeuw gold, zeker in vergelijking met de zeventiende, bepaald niet als een tijdvak uit de geschiedenis van de Nederlanden waar men trots op kon terugzien. Hoepelrok en pruik stonden model voor het beeld van een periode van neergang van het culturele en economische leven, van binnenlandse politieke twisten en de teloorgang van de eens zo glanzende internationale positie. Uiteindelijk zou zelfs aan het bestaan van de Republiek als zelfstandige natie een einde komen. De Patriotten waren deelgenoten in die ontwikkeling, er misschien zelfs de oorzaak van. Een aantrekkelijk voorbeeld voor de Nederlanders van de negentiende eeuw vormden zij dan ook niet.

Inmiddels is aan die geringschatting een einde gekomen en is er begrip en zelfs waardering ontstaan. Het ongenuanceerde beeld van de achttiende eeuw als een tijd van algemene achteruitgang is achterhaald.

Hetzelfde geldt voor het idee, dat de Franse en de Bataafse revoluties met al hun ellende het enige en onvermijdelijke resultaat zouden zijn van het vernieuwingsstreven in de decennia daarvóór. De achttiende eeuw, zo wordt algemeen erkend, was een tijd waarin de moderne westerse samenleving vorm begon te krijgen. En dat proces ging onvermijdelijk - in heel de westerse wereld - gepaard met verdeeldheid onder tijdgenoten, met onstuimige reacties en met conflicten.

De Patriotten brachten grote beroering teweeg; in Nederland als geheel, maar ook in de steden en op het platteland van Overijssel. Daarmee plaatsten de ‘kezen’ dit sociaal-economisch en politiek bescheiden gewest, het zesde in de rangorde van de zeven Verenigde Nederlanden, in het centrum van de politieke belangstelling. Zo werden hier de jaren tachtig van de achttiende eeuw tot één van de meest bijzondere historische perioden.

*Dit artikel van de hand van Clemens Hogestijn is eerder gepubliceerd in Mijn Stad Mijn Dorp,  Historisch Tijdschrift voor Overijssel, jaargang 3, nummer 1, maart/april 2012

Reacties

afbeelding van Bosgeus
Uitstekende informatie, maar wel jammer is dat gekwijl aan het einde. Achteruitgang of vooruitgang, vergeleken met wat, is altijd de vraag. Zaak is, dat de Patriotten onze republiek mede vernietigd hebben, en dat door hun protest tegen stadhouderschap en de republiek, Nederland een monarchie werd. Het waren dus erg dwaze lieden. Als de Patriotten geprotesteerd hadden voor een monarchie, en tegen een republiek in plaats van er voor, dan had men ze van wijsheid kunnen betichten, want dit conflict resulteerde in de monarchie. De Patriotten vluchtten naar Frankrijk, alwaar ze een inval van onze republiek steunden als gidsen. Wat moet dit volk leren van de geschiedenis, als de misdadige fout en dwaasheid van de keesjes niet aan het licht wordt gebracht.