Verhaal

Watersnood 1916 (een artikel van 100 jaar geleden uit de Zwolsche Courant)

Watersnood 1916

 

Honderd jaar geleden in de Zwolsche Courant

 

Het jaar 1916 begint direct al goed. De jaarwisseling heeft de elementen meer in beroering gebracht dan de gemoederen der ingezetenen onzer stad. Storm en regen, afgewaaide schoorstenen en afgeknapte takken, het leek lastig maar betrekkelijk onschuldig. Een paar dagen later is het hele land in last. Hoge waterstand in de rivieren, noordwester storm en springvloed, het is een ongunstige samenloop van weersomstandigheden, waar het land niet op berekend is. Bijzonder veel last heeft men van de Zuiderzee, die nog lang geen IJsselmeer is, ir. Lely heeft de Afsluitdijk al wel bedacht, maar aan de uitvoering is men nog niet toe – deze watersnoodramp zal de plannen flink versnellen, al moeten ze nog een paar decennia rijpen. Het centrum van het onheil ligt rond de Zuiderzee, al is er in bijna elke provincie wel wateroverlast. Het zwaarst getroffen is de Zaanstreek, maar ook andere plaatsen aan het water, tot in de verre IJsseldelta aan toe, hebben ernstige problemen.

 

 

Ook Zwolle staat onder water. De veemarkt moest verplaatst worden naar de Ossenmarkt, wat tot nogal wat chaos leidde, Roodetorenplein en Weezenlanden waren onzichtbaar, de iets hoger gelegen Diezerstraat bleef wel begaanbaar, tot er ook van onderen water opsteeg – uit de riolen. Aanvankelijk zag de Zwollenaar nog wel enig vermaak in de watermassa. Slagersjongens stoven op hun fietsen het water in, dat opbruiste en hun over het hoofd spatte. Schade was er natuurlijk wel, maar in Zwolle bleef die nog enigszins binnen de perken, was in elk geval alleen materieel.

 

 

Op 15 januari moet de krant een uitgebreid overzicht geven over de getroffen gebieden. De zuidelijke provincies bleven, afgezien van een enkel dijkbreukje, vrijwel gespaard, het centrum van de ellende lag in Noord-Holland. De aloude polders lopen onder. Door de bressen in den zwaren dijk stroomt het Zuiderzeewater als een Niagara-waterval het lage land binnen. Het is een prachtig maar verschrikkelijk gezicht. Pas als de storm midden januari is gaan liggen, blijkt de omvang van de ramp. Op de Zuiderzee drijven groote hoeveelheden meubelen, beddegoed, enz., dat van het eiland Marken is weggeslagen. Ook stukken van woningen ontmoeten de schippers thans op zee.

 

Tientallen mensen zijn verdronken, heel veel vee ook, de ontreddering is groot. Reddings- en ondersteuningsacties komen op gang in de gespaard gebleven delen van het land; maar vooral: Bij rampen is er een voorname taak voor het vorstenhuis. Ook in dit geval. Koningin Wilhelmina bezocht het zwaar getroffen Monnikendam (taakverdeling: Prins Hendrik was op Marken) en de krant verbaast zich over de troostende kracht van het bezoek. Deze keer uiteraard geen gejuich en gezang, maar er is een stil contact tussen vorstin en volk. In op zich banale gesprekjes (“Hebben jullie het niet koud gehad”-“Hoe hoog stond het water “, zo wordt de majesteit geciteerd) ligt blijkbaar toch de gezochte troost. Ontroerde en verheugde gezichten komen voor vensters en ramen – men wuift en de Koningin wandelt door als een symbool – een symbool dat men verouderd waande en dat nu, in dagen van nood en ontij weer door nieuwe glorie omgeven wordt. Ook Volendam werd nog aangedaan, het wandeltempo van de Koningin wordt in de krant wat ongelukkig samengevat met de uitdrukking: De barmhartigheid schrijdt verder. Je zou bijna aan enig anti-monarchistisch sentiment bij de krant gaan denken, met die als een symbool voortschrijdende barmhartigheid, maar als dat al ironisch getoonzet is, dan blijkt toch onmiddellijk hoe het volksgevoel die ironie afwijst: Het Volendamse volk zet eensgezind het Wilhelmus in, weliswaar ongelijk en de stemmen vibreren, maar men blijkt oprecht opgemonterd en getroost. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat de Zuiderzeeplannen van ir. Lely niet snel genoeg uitgevoerd kunnen worden.

 

Sjaak Onderdelinden

Reacties