Verhaal

Voor de rechter in Londen

Auteur: 
Sjaak Onderdelinden

Honderd jaar geleden in de Zwolsche Courant

Als vreemdeling in Jeruzalem heb je het, in welke eeuw dan ook, ongemakkelijk – tegenwoordig geldt dat als vreemdeling waar ook ter wereld, xenofobie is de belangrijkste hobby van populisten.

 

Honderd jaar geleden was dat nog niet zo erg, de krant doet verslag van een betrekkelijk onschuldig incident: Nederlanders die in Engeland in de fout gaan en zichzelf moeilijkheden op de hals halen. Als je niet uitkijkt en je niet voldoende aanpast, kun je zo maar in het beklaagdenbankje voor de rechter komen te staan. Het vergrijp heeft te maken met een maar al te bekend fenomeen: verduistering. En dan niet in de betekenis van diefstal, maar als maatregel tegen de vijand.

Straatverlichting bijvoorbeeld is zwart geschilderd: de straatlantaarns zijn door gehoorzame handen zoo degelijk met een zwart floers omverfd, dat slechts een flauw schijnsel om den voet haar aanwezigheid verraadt… Men mocht er in den stikdonkeren nacht eens tegen oploopen. Ja, in  1916 is verduistering natuurlijk bitter noodzakelijk, om Duitse vliegtuigen en Zeppelins niet te verraden, waar Londen ligt. Of zou de oriëntatie er werkelijk door bemoeilijkt worden? In ieder geval is het mentale effect waarschijnlijk net zo belangrijk: solidariteit tegen de vijand, iedere burger draagt zijn steentje bij, al is het maar door de gordijnen zorgvuldig te sluiten.

Maar soms gaat het mis. De Londense correspondent van de Zwolsche Courant moet toegeven dat in zijn afwezigheid het dienstmeisje Johanna op de zoon des huizes moest passen, dat zij bij het slapen gaan het licht weliswaar correct uitgedaan, maar ook de gordijnen opengeschoven had (om prettig met de ochtendzon wakker te worden). En toen had het onheil zijn loop genomen, het ventje had midden in de nacht een huilbui gekregen. Johanna deed geschrokken het licht aan, dat dus ongehinderd naar buiten kon schijnen – juist op het moment dat er een surveillerende agent langs liep. Betrapt!

Nog dezelfde dag komt een sergeant van politie met drie strepen op zijn mouw de zaak onderzoeken. En dan mag het tamelijk onschuldig overkomen, maar het gerecht moet zijn loop hebben, dat spreekt. De prognoses lopen van vijf tot tien pond boete, eventueel met een paar dagen gevangenis. Al tien dagen later moeten de Nederlandse zondaars voor de politierechter verschijnen, in dit geval voorzien van de zinvolle naam vrederechter. Het is er een drukte van belang, vele zaken op een ochtend, met talrijke beschuldigden, advocaten en agenten als getuigen. Snelrecht als het even kan, maar: Is de zaak wat ernstig en heeft een aanklager of verdediger advocatenbijstand ingeroepen, dan wordt het een geschermutsel van spitsvondigheden, waar men voor zijn plezier zou heengaan, als de ochtenden niet zoo kostbaar waren. Humaan zijn de vrederechters ook: een huisvrouw die de schooljuf van een van haar zeven kinderen uitgescholden heeft, komt er met het maken van excuses van af: haar man is aan het front…

Ook de correspondent komt er genadig vanaf. Weliswaar moeten Johanna en hij een ernstige vermanende preek aanhoren (onder die verduistering heeft nu eenmaal iedereen te lijden: We zitten allen in het schuitje en moeten elk voor zich oppassen dat de heele boot niet door onze onvoorzichtigheid omslaat) maar als de opgelegde boete slechts één pond bedraagt, is er toch veel opluchting. De correspondent wil het niet eens van Johanna’s loon inhouden…

Toch is er iemand ontevreden. De agent die de overtreding geconstateerd had, vindt de straf duidelijk ontoereikend en belooft zichzelf revanche. Regelmatig een extra ronde, en als het ’s nachts tegen twaalven loopt, kan men hem veelmaals vinden in de buurt of leunende over het hek van den voortuin, wachtende, immer vergeefs wachtende op een overtreding, die niet meer wordt begaan.

Reacties