Verhaal

Van Zwolle naar Westerbork en verder

Auteur: 
Wim Coster

In het kader van de Nachtwake ‘Van Zwolle naar Westerbork en verder’ op 13 en 14 april 2005 in het voormalige gymnastieklokaal van het Gymnasium Celeanum, werd door leerlingen uit groep 5 en 6 van de tegenwoordige school onderzoek gedaan naar de geschiedenis van joodse Zwollenaren. De resultaten van deze onderzoekingen, die werden uitgevoerd in samenwerking met het Historisch Centrum Overijssel en Herinneringscentrum Kamp Westerbork, worden gepubliceerd op www.kampwesterbork.nl. Onderdeel van deze site zijn de zogeheten Westerborkportretten, die de 102.000 namen van joodse Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog omkwamen, willen voorzien van een portret en een biografie. Nieuwe informatie voor deze portretten blijft welkom!

Joods Zwolle tot 1940

‘Het jaar 1721 kan gezien worden als het jaar waarin de later zo bloeiende joodse gemeente van Zwolle ontstond’, aldus het Herinneringsboek Joods Zwolle 1940-1945 (noot 1). Dit ontstaan hing samen met de oprichting van een handelsmaatschappij die in belangrijke mate werd gefinancierd door Amsterdamse joden.

Uit oude bronnen blijkt echter, dat er al veel eerder sprake was van de aanwezigheid van joden in Zwolle. Zo zouden zij in augustus 1349, in een tijd waarin de pest woedde over Europa, ‘ter ere van God’ zijn verbrand. Uit latere eeuwen zijn ook sporen van joodse aanwezigheid in de stad bekend, maar pas in 1721 ontstond, zoals gezegd, in Zwolle een joodse gemeente. Al in het volgende jaar werd van de Zwolse overheid toestemming verkregen om een eigen begraafplaats te stichten op de Luurderschans, net buiten de stad.

Sinds 1746 was er sprake van een synagoge in de Oude Munt aan de Bitterstraat en vanaf 1758 kreeg de joodse gemeente de beschikking over de Librije bij het voormalige Broerenklooster. In 1772 werd de eerste opperrabijn, David Jacob Stibbe, aangesteld. Ondertussen groeide het aantal joden in de stad gestaag; in 1779 werden er 240 geteld. Net als katholieken en andere niet-hervormden bleven de joden echter ‘tweederangs-burgers’. Toch heerste er ‘een tamelijk tolerant klimaat ten opzichte van de joden. Bij de inwijding van de nieuwe synagoge in de Librije gaven bijvoorbeeld burgemeesters en acte de présence.

De aanwezigheid van de joodse kooplieden had voor de stad ongetwijfeld positieve economische gevolgen; ook een reden waarom zij getolereerd werden.’2 In 1796, na de komst van de Fransen, kregen zij, dankzij het principe van de ‘gelijkheid’ dat door de Franse revolutionairen werd gepredikt, burgerrechten.

Joodse marktkooplui

Na het vertrek van de Fransen werd Zwolle in 1814 aangewezen als hoofdplaats van het ressort Overijssel en de toenmalige opperrabijn, Hartog Josua Hertzveld, vestigde zich hier in de stad. ‘Hij voerde wijzigingen door in de synagogediensten onder invloed van de in het begin van de 19e eeuw veldwinnende gedachte dat de joden zich moesten aanpassen aan hun omgeving. Nederlandse joden moesten joodse Nederlanders worden (noot 3). Eén van de veranderingen die hij wilde was, dat het Jiddisch als voertaal werd vervangen door het Nederlands. Ook het joodse onderwijs moest worden vernederlandst. Het Hebreeuws werd een kerktaal.

De joodse gemeente in Zwolle groeide gestaag en telde rond 1900 zo’n 700 leden. Overal in de stad woonden joden, maar toch vooral in het gebied toch rond de synagoge in de Librije, een arm gedeelte van de stad. Niet alleen in sociaal-economische zin vertoonde de joodse gemeenschap een divers beeld ook in politieke en religieuze zin was dit het geval. Enerzijds was er een orthodoxe stroming, die vooral begon te bloeien na de komst in 1902 van Samuel Juda Hirsch als opperrabijn. Ook de stichting van een nieuwe synagoge aan de toenmalige Schoutenstraat, in 1899, droeg bij aan de positie van deze richting.

Anderzijds kwam het joodse volksdeel ook in contact met stromingen als liberalisme, socialisme en zionisme. Deze streefden alledrie naar een oplossing van het ‘joodse vraagstuk’, het probleem van de assimilatie. ‘Een algehele assimilatie van het joodse volksdeel werd in de weg gestaan door religieuze en raciale bezwaren. Het liberalisme wilde staat en samenleving vrijmaken van door godsdienst en tradities bepaalde regelgeving, het socialisme was een internationale stroming waarin (raciale of Synagoge Samuel Hirsch religieuze) herkomst niet, maar de arbeidersstrijd wel telde.  Het zionisme trachtte in de beste tradities van het nationalisme een oplossing te bewerkstelligen door de stichting van een eigen staat voor het eigen volk. (noot 4)

Maar deze verschillen binnen de joodse gemeenschap werden, net als elders, overschaduwd door de toenemende dreiging die sinds het begin van de jaren dertig over Europa kwam. De machtsovername door Hitler en de zijnen in 1933 en de anti-joodse maatregelen in Duitsland zorgden voor onrust. Na de Reichskristallnacht in 1938 -de nacht van 9 op 10 november, waarin in Duitsland een grootscheeps pogrom tegen de joden plaatsvond- kwam er een stroom joodse vluchtelingen op gang, ook naar Zwolle (noot 5). Van de ruim 800 joden die Zwolle telde op 1 januari 1940 waren er 121 van buitenlandse origine (noot 6).

Van Zwolle naar Westerbork en verder

Op 10 mei 1940 werd Nederland bezet door Duitse troepen en in feite veranderde daarmee op slag de positie van de joodse gemeenschap hier te lande. De situatie in Duitsland was bekend, kan achteraf worden gezegd, zeker na november 1938 toen overal joden ‘werden mishandeld en opgepakt, synagogen in vlammen opgingen, roof en diefstal op ongehoorde schaal plaats vonden, dit alles gevolgd door een uitplundering en ontrechting zonder weerga. Het leek toen al niet erger te kunnen, maar het kon nog erger, het werd nog erger en véél erger (noot 7).

Toch keerde na de aanvankelijke paniek de rust snel terug. Maar het was alles slechts schijn. De verregaande discriminatie van de joden zoals die in Duitsland was toegepast, begon ook in Nederland, ook in Zwolle. De eerste anti-joodse maatregel werd afgekondigd op 6 juli 1940 toen joden, zij het samen met andere verdachte groepen, werden uitgesloten van de Luchtbeschermingsdiensten. Het leek nog tamelijk onschuldig, maar in oktober 1940 werd reeds de maatregel afgekondigd, dat er in overheidsdienst geen personen van ‘geheel of gedeeltelijk joodse bloede’ aangesteld of bevorderd mochten worden. ‘Als jood werd ieder persoon beschouwd met twee joodse ouders en/of minimaal drie naar ras voljoodse grootouders die bovendien behoorden tot de kerkelijke gemeente.’

De maatregelen gingen al spoedig verder. Op 22 november 1940 werden alle joodse overheidspersoneelsleden, in opdracht van rijkscommissaris Seyss-Inquart, ‘ontheven van waarneming van hun functies’. Kort gezegd: zij werden ontslagen en die maatregel werd op 1 maart 1941 officieel bekrachtigd. In Zwolle ging het om vier joden, vijf jodinnen en een half-joodse vrouw. De joodse gemeenteraadsleden werden per gelijke datum uit hun functie gezet (noot 8). ‘En zo gingen de Joden eruit, voordat ze eraan gingen (noot 9).

In ‘willekeurige volgorde’ volgen hier andere voorbeelden van de manier waarop joden in toenemende mate werden gestigmatiseerd en geïsoleerd; zij ‘mochten niet meer in parken en andere openbare gelegenheden komen, zij mochten niet meer naar de veemarkt, zij moesten radio’s en fietsen inleveren, op hun persoonsbewijs kwam een “J” te staan, zij moesten een gele Davidsster dragen, joodse kinderen moesten onderwijs volgen op speciaal daarvoor gestichte joodse scholen in de Voorstraat en aan de Thorbeckegracht, joden mochten geen eigen bedrijf en kapitaal meer bezitten, zij mochten alleen door joodse artsen geholpen worden en er werd zelfs een joods ziekenhuis gevestigd in de Voorstraat. Naast deze officiële vernederingen en afzondering werden joden soms ook het slachtoffer van anti-joods gedrag van hun medeburgers. Enkele malen werden de ruiten van joodse winkeliers beklad met “Jood” of “Jude”.

De bovengenoemde maatregelen suggereren een snel opeenvolgende reeks met een doorzichtig doel. Feitelijk verliep het proces veel sluipender, zodat de maatregelen op zichzelf leken te staan en niet onderdeel uitmaakten van een bewust geplande ontwikkeling (noot 10).

Hoe dan ook, de ontwikkelingen gingen verder, veel verder. Op 22 en 23 februari 1941 werd in Amsterdam een eerste grote razzia gehouden waarbij ongeveer 400 jonge joden werden opgepakt. Onder hen was de 25-jarige Henri Zilverberg uit Zwolle die voor zaken in Amsterdam was. Via Buchenwald werd de groep arrestanten waarvan hij deel uitmaakte naar Mauthausen gedeporteerd. Henri Zilverberg stierf daar op 16 september 1941. Hij was het eerste Zwolse slachtoffer van de jodenvervolging.

In andere steden hadden soortgelijke razzia’s plaats en ook in die gevallen werden de gearresteerden gedeporteerd en omgebracht. Een eerste razzia in Zwolle, in oktober 1941, had nauwelijks succes, dankzij waarschuwingen van de oud-commissaris van politie Lettinck. Maar het leed zou aan Zwolle niet voorbij gaan. Drie grote razzia’s vonden hier plaats, in oktober 1942, november 1942 en in april 1943. Daarnaast vonden er ook vele individuele arrestaties plaats.

Joodse Zwollenaren na 1 januari 1940

Uiteindelijk zouden dus 243 joodse Zwollenaren en 27 in Zwolle woonachtige Duitse joden de oorlog overleven. ‘samen met de achtergebleven gemengd gehuwden vormden zij een zowel fysiek als geestelijk geslagen gemeenschap.’ (noot 11). Hun aantal zou in de jaren die volgden door vergrijzing, verhuizing of vertrek naar Israel verder afnemen, maar desondanks bestaat er in Zwolle nog steeds een joodse gemeente en een joodse gemeenschap.

Met de restauratie in de jaren 1984-1989 van de Synagoge in de voormalige Schoutenstraat, thans Samuel Juda Hirschstraat, bereikte de na-oorlogse geschiedenis van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Zwolle een keerpunt. Er vinden weer regelmatig diensten plaats en het gemeenteleven bloeit weer. ‘Maar de synagoge is ook een monument.

Een monument voor de joodse Zwollenaren die niet terugkeerden uit de verschrikkingen van de concentratie- en vernietigingskampen. (…) Van hen zijn de laatste rustplaatsen de massagraven en de asheuvels in en bij de kampen. Voor hen kon niet, naar joods gebruik, een matseiwah, een herinneringsteken worden opgericht. Daarom is nu een gedenkteken voor hen aangebracht op de muren van de Zwolse synagoge. Opdat zij niet vergeten worden.’ (noot 12).

Noten

  1. David Stibbe en Jaap Hagedoorn (m.m.v. Anneke van der Baan en Eddy de Weerd). Herinneringsboek Joods Zwolle 1940-1945. Zwolle 1995, p. 5.
  2. Idem, p. 6.
  3. Idem, p. 5-6.
  4. Idem, p. 6.
  5. Zie voor dit onderwerp: Iet Vierstraete Erdtsieck. ‘De joodse Duitse vluchtelingen in Zwolle, 1933-1943.’ In: J. Hagedoorn, W.A. Huijsmans, I. Wormgoor, A. van der Wurff. Als een strootje in de maalstroom. Zwolle tijdens de tweede wereldoorlog. Zwolle 1985, pp. 89-111.
  6. ‘Bij de vaststelling van deze aantallen is uitgegaan van het halachische (religieus-wettelijke) criterium, dat iedereen met een joodse moeder joods is.’
  7. J. Presser. Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. ’s-Gravenhage 1965, p. 5. 6. Zie, naast het hiervoor genoemde herinneringsboek, ook: K. Ribbens. Bewogen jaren. Zwolle in de tweede wereldoorlog. Zwolle 1995, pp. 215-248 (het hoofdstuk ‘De jodenvervolging’. ) en I. Vierstraete-Erdtsieck. De Jodenvervolging in Zwolle –geschiedenis van de Joden te Zwolle tussen 1933 en 1946-. Wezep 1985. (Scriptie MO-B .)
  8. Geciteerd in Ribbens, Bewogen jaren, p. 218.
  9. Presser, Ondergang, p. 41.
  10. Hagedoorn, Stibbe. Herinneringsboek, p. 10-11.
  11. Idem, p. 14-15.
  12. Idem, p. 3.

Reacties