Verhaal

Troonrede in oorlogstijd (een artikel van 100 jaar geleden uit de Zwolsche Courant)

Troonrede in oorlogstijd

 

Honderd jaar geleden in de Zwolsche Courant

 

 

Wie honderd jaar na dato het verslag leest over de openingszitting van de Staten-Generaal op de Derde Dinsdag van september 1915, zal zich niet weinig verbazen over het geringe verschil met nu. Maar zo hoort het natuurlijk ook, we noemen het traditie. De rit in de Gouden Koets, het volkslied op het Binnenhof, het ontvangstcomité bestaande uit leden van Eerste en Tweede Kamer, het Hoera na het uitspreken van de Troonrede, tot en met de balkonscène is alles onveranderd en dus herkenbaar.

 

Verschillen zijn er natuurlijk ook. Direct in het oog, vanwege de grafische weergave van de officiële tekst in de Zwolsche, springt de aanhef. Waar tegenwoordig  de Troonrede al heel lang begint met “Leden der Staten-Generaal”, kon Koningin Wilhelmina toen nog kort en krachtig starten met Mijne Heeren! Want actief en passief vrouwenkiesrecht waren nog niet uitgevonden, en dus was de erfelijke vorstin de enige vrouw in de Ridderzaal. Nou ja, misschien had ze wat hofdames meegebracht, daarover vermeldt de krant niets en een fotootje kon er ook nog niet af – ook een aardig verschil met de huidige media-belangstelling.

 

 

Zonder stopwatch is het moeilijk te controleren, maar de Troonrede 1915 lijkt een kort verhaaltje, korter dan tegenwoordig, de weergave in de krant beslaat precies één kolom, maar misschien lag het leestempo destijds lager, anders stond de Majesteit binnen een kwartiertje al weer buiten. Bondigheid is natuurlijk ook een kwaliteit – de stagnerende maar niet zorgwekkende economie wordt aangestipt, de inspanningen voor zee- en landmacht zijn noodzakelijk, ook om onze zelfstandigheid te bewaren en de plichten der neutraliteit stipt na te komen. Ondanks de oorlog kan met vreugde geconstateerd worden, dat de land- en tuinbouw over het algemeen in gunstigen toestand verkeeren, evenals de groote vaart. De kleine vaart, het havenbedrijf, het bouwbedrijf en de diamantnijverheid kwijnen daarentegen, en de levensmiddelenverzorging staat zo onder druk, dat binnenkort belastingverhogingen te verwachten zijn. Daar staat dan weer tegenover, dat uit Nederlandsch-Indië de berichten omtrent het verloop der pestziekte reeds geruimen tijd veel gunstiger zijn dan in het vorig jaar. Tegen het einde van deze Troonrede volgt dan een fraaie en typische volzin: Vertrouwende op de geestkracht van mijn volk, om de zware lasten, die het onvermijdelijke gevolg zijn van den noodtoestand, waarin wij verkeeren, manmoedig te dragen, ga ik hoopvol de toekomst tegemoet.

 

Vooral dat prachtwoord “manmoedig” maakte indruk, zoals de volgende dag uit de krantencommentaren valt te vernemen. Die zijn niet heel erg kritisch – daarvoor heeft onze geëerbiedigde Vorstin te veel krediet. Maar de politiek is natuurlijk kabinets-verantwoordelijkheid. De liberale en de katholieke kranten vonden de regeringsplannen wat linksig, de sociaaldemocratische bladen uiteraard te rechts, dus alles bij elkaar was die Troonrede zo slecht nog niet.

 

 

En dan te bedenken, dat er op een haar na helemaal geen Troonrede geweest was. De dag ervoor was de Koningin met Prinses Juliana naar Huis ten Bosch gekomen, per hofauto, maar blijkbaar zonder escorte en zonder beveiliging. Op den hoek van den Leidschen straatweg en den dwarsweg, leidende naar ’t Huis ten Bosch werd die hofauto aangereden, waarbij de onverlaat veel te snel gereden en geen signalen gegeven zou hebben. Het ongeluk speelde zich wel af binnen de betere kringen: de veroorzaker was jhr. Schimmelpenninck uit Utrecht. De koninklijke auto was flink beschadigd, de koningin moest in een andere auto overstappen, maar was professioneel genoeg, om de volgende dag de Troonrede uit te spreken alsof er niets gebeurd was. Het politierapport vermeldde dan ook: Persoonlijke ongelukken hadden niet plaats.

 

Sjaak Onderdelinden.  

Reacties