Verhaal

Tiny Beltman, tiener in de oorlog

Auteur: 
Frédérique te Dorsthorst – de Muij

Toen de oorlog uitbrak was ik 13 jaar. Ik zat in de laatste klas van de lagere school bij meester Zweers. Ik ben een late leerling vandaar. De Elout van Soeterwoudeschool in de Wipstrik in Zwolle was een gereformeerde school.

We noemden meester Zweers ‘der Jude’, dus lang voor de inval van de Duitsers al. Hij was helemaal geen Jood, maar het was wel een klein donker mannetje. Discriminatie kende je toen nog niet. Het was ook niet negatief bedoeld. Het was gewoon een bijnaam. Iedereen hoorde bij een bepaalde groep en zo sprak je elkaar ook aan. Vlakbij was bijvoorbeeld ook een Hervormde school. Tegenwoordig ligt dit allemaal veel gevoeliger. Men denkt niet meer zo in groepen, tenzij het negatief bedoeld is.

Het begin van de oorlog

De dag dat de oorlog uitbrak, kan ik mij nog heel goed herinneren. Tien mei 1940, ’s-morgens om 4 uur was er enorm veel lawaai op straat. Het was al licht, het was natuurlijk bijna zomer. En het was ook warm, heel warm, dus de ramen stonden overal open. Ik hoorde mijn moeder aan de buurvrouw vragen wat er aan de hand was. En de buurvrouw antwoordde: “Het is vreselijk, heel vreselijk. De Duitsers zijn ons land binnengevallen.” Ik weet nog dat ik direct naast mijn bed stond en riep: “Die rotmoffen!!” We hadden thuis natuurlijk al regelmatig gesproken over wat er in Duitsland allemaal gebeurde. Je mocht de Duitsers direct niet, ook al had je ze nog nooit gezien.

Verder weet ik nog dat ’s-middags om 14:00 uur de rijen Duitsers over de Wipstrik liepen. Als kind moest je dat natuurlijk zien, terwijl mijn vader ons nog zo gewaarschuwd had. We moesten dichtbij huis blijven, want het was oorlog. Maar dat zei je helemaal niets. Wat was dat dan, oorlog? We hadden ’s-nachts wel knallen gehoord, omdat ze de verschillende bruggen opbliezen. Maar verder is er helemaal niet gevochten in Zwolle. Onze troepen hadden zich direct teruggetrokken achter de IJssellinie. Zwolle werd helemaal niet verdedigd.

Verslagenheid

Bovendien hadden wij als pubers nog het gevoel op dat moment van “Oh, die slaan we er zo wel weer uit”. Uit de geschiedenisboekjes hadden we altijd geleerd hoe goed de Nederlanders wel niet waren. Dus wij hadden niet het idee dat het lang zou duren. Maar dat viel dus tegen. Er heerste aan het begin ook echt een soort verslagenheid bij de mensen om mij heen. Wij waren altijd neutraal geweest, dus hoe had dit kunnen gebeuren, vroegen we ons af.

Ik weet nog dat mijn vader woedend was, toen hij hoorde dat de koningin het land uit gevlucht was. Je had in de oorlog veel contact met de buren. Er werd veel gepraat over de heg en zo. Onze buurman, die nota bene een socialist was, zei “Beltman, je weet helemaal niet wat er zich in Den Haag heeft afgespeeld.” Die opmerking heeft veel indruk op mij gemaakt. Ik realiseerde me op dat moment dat we inderdaad geen idee hadden wat er zich in de rest van het land afspeelde. Er was natuurlijk niets geen communicatie. We hadden wel een radio, maar de uitzendingen werden direct al gecensureerd en dat beseften wij ons maar al te goed. Dat gaf een gevoel van isolement.

Briefjes

Al gauw, het zal ergens in de 1e maand van de oorlog geweest zijn, kreeg je anonieme briefjes in de bus. Gewoon geschreven op papier, met bijvoorbeeld de boodschap:”Lees vanmiddag die en die bijbeltekst”. En dan ging die tekst over dat we in nood waren en dat God ons nabij bleef. Dat gaf je moed, dat hielp. Toch knap dat mensen op zo’n moment op dat idee komen om zo anderen tot inspiratie en steun te zijn. Dat gaf je als kind ook direct een gevoel van saamhorigheid. Kort daarna zullen ook al snel de ondergrondse krantjes gekomen zijn. Die probeerde je, als puber altijd te pakken te krijgen.

Vakantie

De dag dat de oorlog uitbrak en waarschijnlijk ook wel de dagen erna, hadden we vrij van school. Maar hoe lang dat geduurd heeft, kan ik mij niet meer herinneren. Volgens mij niet lang. Maar het was natuurlijk al mei, dus de zomervakantie zal er ook wel snel achteraan gekomen zijn.

Bezetting

Van de bezetting zelf kan ik mij van de eerste jaren van de oorlog weinig herinneren. Als ik er nu over nadenk, is het natuurlijk knetter geweest. Maar op dat moment besef je dat helemaal niet zo. Er was wel veel vernedering van de bezetter, zowel naar de Joden toe, als naar ons. Als puber was je daar woedend over. Ik kon mijn mond ook nooit houden als ik een Duitser of een NSB-er zag. Dan spuugde ik op de grond, bijvoorbeeld. Van mijn vader kreeg ik dan altijd op mijn kop. Zo ging je niet met mensen om, bovendien kon ik dan nog in de problemen komen ook. Maar ja, je bent een puber, dus je hebt je eigen verzet. Die ‘moffen’ daar moest je niets van hebben.

Wij hadden twee Duitsers ingekwartierd gekregen. Ze sliepen in een slaapkamer op de eerste verdieping. ’s-Morgens kwam er een Duitser door de straat fietsen en die riep dan dat de compagnie moest opstaan. In de hele Brederostraat (red. in Zwolle) waren overal Duitsers ingekwartierd, namelijk. Een half uur later kwam hij nogmaals langs fietsen en dan riep hij dat de compagnie moest aantreden. En dan stommelden overal uit de huizen de soldaten naar buiten en ’s-avonds kwamen ze weer terug.

Broodjes

Af en toe legden ‘onze’ Duitsers wel eens een broodje voor mij neer. Wij hadden geen honger, maar veel eten zal er ook niet geweest zijn. Maar ik weigerde dat broodje pertinent te eten. Dat legde ik met een grote boog weer terug in hun kamer. Geen giften nam ik van ‘die Duitsers’ aan. Ik weet nog wel dat dat behoorlijke discussies met mijn moeder heeft opgeleverd. Ik was natuurlijk wel in de groei en broodmager.

Veel van het dagelijkse leven ging gewoon z’n gangetje. Veel dingen weet ik ook niet meer. We hebben allerlei uitstapjes gemaakt, althans aan het begin van de oorlog met vrienden en vriendinnen, of met familie die op bezoek was. Pas achteraf realiseer je je hoe gevaarlijk de situatie soms geweest moet zijn. Wij hadden bijvoorbeeld ook een onderduikster in huis. Mevrouw Dinie Smit, een onderwijzeres uit Hengelo, die koerierster in het verzet was. Zij was familie, een nichtje van mij. Ze had bij ons in huis een vals persoonsbewijs. Jannigje de Graaf stond daar geloof ik op. Maar mijn opa Ter Wee woonde ook bij ons in huis. Hij was al aardig oud en ook al aardig aan het dementeren. Hij kende en noemde (!!) Dinie gewoon bij haar eigen naam, terwijl de ingekwartierde Duitsers haar onder haar valse naam kenden. Als wij ooit huiszoeking hadden gekregen, was dat gegarandeerd uitgekomen.

Ik kan me ook herinneren, dat Dinie soms met hele pakken bonnen, of zelfs wapens onder haar jas verstopt, binnenkwam. Die werden dan door mijn vader direct in de kelder verstopt. De Duitsers waren er overdag niet, dus toen konden we redelijk ons gang gaan. Ik realiseerde me ook achteraf dat er waarschijnlijk wel vergaderingen van de ondergrondse bij ons thuis in de grote slaapkamer geweest moeten zijn. Ik werd daar zelf niet bij betrokken of zo, maar ik kan me wel herinneren dat er groepen mensen bij ons thuis geweest zijn. Er werd daar verder niet over gepraat. Je deed dat gewoon.

Razzia’s

Bepaalde gebeurtenissen zijn mij wel bijgebleven. Maar die zijn eigenlijk allemaal van de laatste jaren van de oorlog. Bijvoorbeeld dat zondags in de kerk de koster tijdens de preek (!!) het gestoelte op kwam. Ze hadden dan gehoord dat er een razzia zou komen. Alle mannen in die leeftijd gingen dan gezamenlijk de kerk uit om onder te duiken. Dan speelde de organist Chris Lindeboom bijvoorbeeld het Wilhelmus, of ‘een vast burcht’ en dan zong je als kind zo hard mogelijk mee. Dat was jouw verzet.

Wat ik mij ook nog kan herinneren is dat de buren, Joden, een paar huizen verderop plotseling weg waren. Hun huis was leeg, alleen alle spullen stonden er nog. Die waren dan ondergedoken. We hadden tijdens de oorlog eigenlijk geen idee wat er met de mensen gebeurden, die door de Duitsers weggevoerd werden. We wisten wel dat ze naar kampen gingen, maar wij dachten dat dat werkkampen waren. Vernietigingskampen kenden wij niet. Pas na de bevrijding, toen de waarheid aan het licht kwam, realiseerden we ons hoe erg het was geweest. Toen kwam de klap ook pas. Soms hoorde je tijdens de oorlog wel dat er iemand overleden was, maar wij dachten dat dat dan door de ontberingen was gekomen, of door ziekte (longontsteking kwam vaak voor).

“Jullie weten van komen, dan moet je ook weten van gaan”

De dag dat de Joden de Jodenster moesten gaan dragen weet ik ook nog goed. We gingen op zondag naar de kerk en mijn vader nam zijn hoed voor hen af. Dat maakt indruk op een puber. Je voelt de vernedering die zij moesten ondergaan. Dat maakte je woedend, maar de gevolgen waren op dat moment niet bekend, althans niet bij mij. Anders hadden we met z’n allen wellicht ook wel geprobeerd, meer mensenlevens te redden misschien. Voor ons kinderen zat er ook wel een humoristische kant aan het geheel. Mijn opa was in de stad geweest en die kwam thuis met het verhaal dat het feest was in de stad. Iedereen liep met oranje bloemen op… Zoals ik al zei, mijn opa was al aardig dement en hij heeft de oorlog niet meer bewust meegemaakt. Wij moesten als kinderen dan heel hard lachen om zo’n opmerking. Op een dag zei hij in plat Zwols ook tegen de bij ons ingekwartierde soldaten: “Jullie weten van komen, dan moet je ook weten van gaan.” De soldaten lachten dan ook wat en zeiden tegen ons alleen maar: ”Ach, die grootva…” Opa dacht dat zij arbeiders waren. Van de oorlog en alles wat daar mee te maken had, had hij geen weet. Gelukkig heeft hij de oorlog wel overleefd. Hij is in 1949 overleden.

Middelbare school

Op de MULO, de David Wijnbeekschool, ook gereformeerd, zaten geen Joodse leerlingen. Dus er zijn van mij geen vriendinnetjes plotseling weggebleven. Het gebeurde wel om je heen, maar dan verder weg. Dus je registreert dat en meer eigenlijk niet. Nogmaals, je had er ook geen weet van wat er precies aan de hand was. Je was meer met je eigen leven bezig en de oorlog was daar een ‘gewoon’ onderdeel van.

Op school hadden wij bijvoorbeeld een gymnastiek leraar, meneer Ridder, die NSB-er was. Hij kwam nooit in uniform op school, hoor, maar je zag hem natuurlijk wel eens op straat lopen daarin. Hij had een Duitse vrouw al voor de oorlog getrouwd. Dus hij zal wel ook thuis in een soort tweestrijd geleefd hebben. Bij mijn weten heeft hij nooit iets kwaads gedaan. Maar op school hebben we hem wel veel gepest. Hij heulde in onze ogen met de vijand en wij pikten dat als pubers natuurlijk niet. We kregen dan steeds van de directeur op ons kop, want die was natuurlijk bang dat de school gesloten zou worden. Gelukkig is dat nooit gebeurd en ben ik eigenlijk gedurende bijna de hele oorlog gewoon naar school geweest.

In 1943 kreeg ik verkering met mijn toekomstige man, Bram Fleurke. Met de vriendenclub hebben we allerlei uitstapjes gemaakt, naar Apeldoorn weet ik nog en naar het Engelse werk. In de zomer van 1942 was zelfs de hele familie van Dinie Smit bij ons op bezoek. Een heerlijke vakantie was dat.

Bevrijding

De bevrijding was iets geweldigs. Begin april was Hengelo of Enschede al bevrijd. Ik kan mij de spanning nog herinneren, die we toen gevoeld hebben. Elke dag kon het gebeuren dat wij ook bevrijd werden. Die 14 dagen waren toen erg lang. Want Zwolle is pas de 14e april bevrijd. Zwolle zou verdedigd worden. Dus wij hadden allemaal spullen in de kelder gelegd voor als we daar een tijdje zouden moeten bivakkeren. Maar dat is dus nooit gebeurd.

Reacties