Verhaal

Schaatsen in de Kop van Overijssel

Auteur: 
Lamberthe de Jong

Duizenden schaatsers trekken in winters met natuurijs naar de Kop van Overijssel. Ze binden dan de schaatsen onder in Giethoorn, St. Jansklooster of Blokzijl en rijden over meren, trekvaarten en sloten, komen onder romantische bruggetjes door en passeren bevroren rietvelden. In februari 2010 konden, tot grote vreugde van de liefhebbers, de Dorpentocht van IJsclub Giethoorn en de Blokzijler Merentocht weer worden verreden. Toch hoopt elke doorgewinterde wedstrijdschaatser sinds 1996 op genoeg natuurijs voor de marathons van de Hollands Venetië Tocht en de Noordwesthoekrit. En op de nog nooit verreden Overijsselse Merentocht van 200 kilometer.

Veertien clubs

De Kop, de tegenwoordige gemeente Steenwijkerland, telt veertien ijsclubs. IJsclub Vooruitgang in Vollenhove stamt uit 1871 en is daarmee de oudste. Volgens een advertentie uit 1886 was het de doelstelling van de ijsclubs te zorgen voor veilige ijsbanen, ijsvermaak en brood voor de arbeiders.

IJsclub Volharding adverteerde ook met veilige routes over het ijs naar de markten in Meppel, Steenwijk en Zwolle. Het ijsvermaak bestond uit spelletjes en gekostumeerde ijsfeesten; die worden door VvV (Vereniging voor Volksvermaak) IJsclub Blokzijl, uit 1896, overigens nog steeds georganiseerd. Het brood kregen de arbeiders bij speciale hardrijderijen in de vorm van ‘spek, bonen en brood.’

Ook voor andere doeleinden werden wedstrijden uitgeschreven, zoals in 1899, toen in Zuid-Afrika de oorlog woedde tussen Boeren en Britten. De Rederijkers - kamer in Giethoorn zamelde in dat jaar  door middel van een hardrijderij en een gekostumeerd ijsfeest geld in ten bate van ‘onze dappere stamverwanten’. Jaarvergaderingen van de ijsclub vonden altijd plaats bij volle maan, want veel leden kwamen, tenzij er ijs lag, met punters over het onverlichte water.

Van oudsher hebben de clubs een goede band met provincies en gemeenten en niet in de laatste plaats met de waterschappen, want voor goed ijs moet worden gestopt met bemalen. Al in 1897 richtte de Overijsselsche Schaatsenrijdersbond een verzoek aan de provincie Overijssel om bij gestremde scheepsvaart de schutsluis bij Genemuiden open te zetten. Schaatsers hoefden daar dan niet overheen te klauteren. Ook de hoogte van de bruggetjes is belangrijk; ze mogen vooral niet te laag zijn.

Tijdens de eerste winters in de Tweede Wereldoorlog bestond er veel belangstelling voor wedstrijden en toertochten. In de Kop organiseerde het Comité Noordwesthoekrit uit Steenwijk daarom op 10 januari 1942 de (eerste) Noordwesthoekrit van 85 km. Er reden ruim 900 deelnemers mee. De Duitse bezetters hadden weinig op met ijswedstrijden en -feesten en eisten dat die ruim tevoren werden aangekondigd.

Maar Koning Winter liet zich óók door de Duitse bezetter de wet niet voorschrijven. Het was van tevoren niet te zeggen wanneer het zou vriezen en dus ook niet wanneer de wedstrijden zouden vallen. Na protesten van de Bond van ijsclubs verviel de bepaling, mits zij ondertussen niet vergaderden. De wedstrijden zelf waren ‘vrij’. Van de mogelijkheid om zonder toestemming van hogerhand met groepen bijeen te komen, werd dan ook volop gebruik gemaakt.

Op de korte baan

Al sinds het eind van de achttiende eeuw zijn kortebaanwedstrijden in zwang. Mannen schaatsen daarbij 160 meter en vrouwen 140. Dergelijke wedstrijden werden uitgeschreven door kasteleins die hoopten op veel klandizie. Ze loofden daarom flinke prijzen uit: een zilveren mes bijvoorbeeld of een koperen tabaksdoos en later ook geld. Het bestuur van een ijsclub of ijscommissie voerde de ‘directie’ over de wedstrijden en zorgde voor betrouwbare en met vlaggen versierde banen. De financiën kwamen uit toegangskaartjes en de verhuur van feesttenten; contributie werd nog niet geheven. Baanvegers veegden – voor wat kleingeld – de wedstrijdbanen en de routes naar de cafés.

Bij de hardrijderijen kwamen uit de wijde regio vaak honderden bezoekers kijken: op de schaats, met paard en wagen of per arrenslee. Daarnaast waren er allerlei ijsspelen zoals tonkruipen, zaklopen, turfrapen of ‘vliegende slede’. Bij het laatste spel werd aan een paal een slee met een lang touw bevestigd en rondgeslingerd. Een koek-en-zopie ontbrak natuurlijk niet.

Bonden en belangen

Een aantal ijsclubs had in 1894 de hiervoor genoemde Overijsselse Schaatsenrijdersbond opgericht. De bond zou tot ongeveer 1902 bestaan. Na bijna veertig jaar zonder bond volgde kort voor de Tweede Wereldoorlog de Bond voor IJsclubs in Overijssel, het latere Gewest Overijssel van de Koninklijke Nederlandsche Schaatsbond (KNSB).

Na de oorlog richtte de KNSB zich nadrukkelijk op het hardrijden voor amateurs op de lange baan. Deze opstelling leidde tot een conflict met clubs die hun inkomsten van de bezoekers moesten zien te krijgen en daarom bekende rijders op de korte baan lokten met geldprijzen. IJsclub Klein Thialf in Giethoorn-Noord mocht daarom na een schorsing zelfs tijdelijk geen wedstrijden organiseren. De oplossing werd gevonden in het uitbetalen van prijzen in natura.

IJsclub Giethoorn

IJsclub Giethoorn is in 1951 ontstaan uit een fusie van IJsclub Klein Thialf en ’t Wiede. Sindsdien is het, met meer dan duizend leden, de grootste ijsclub in de regio en speelt het ook binnen de KNSB een belangrijke rol. Met Femmy Groen had de club tussen 1956 en 1962 een prominent vertegenwoordigster op de korte baan. De club organiseert naast toertochten ook hardrijderijen voor jong en oud, kampioenschappen en marathons; zowel in Giethoorn als op de Oostenrijkse Weissensee. De Holland Venetië Tocht van 55 kilometer, een wedstrijd in combinatie met een toertocht, is sinds 1956 een groot succes.

Inmiddels zijn er in de Kop verschillende tochten: de Weerribbentocht in Kalenberg, de  Vijfmerentocht in Wanneperveen en de Rond de Wiedentocht vanuit Sint Jansklooster. Tweevoudig Elfstedentochtwinnaar en oud-inwoner van Sint Jansklooster Evert van Benthem, tegenwoordig woonachtig in Canada, was één van de grote promotors van de Rond de Wiedentocht.

*Dit artikel van de hand van Lamberthe de Jong is eerder gepubliceerd in Mijn Stad Mijn Dorp,  Historisch Tijdschrift voor Overijssel, nummer 6, december 2010/januari 2011

Reacties