Verhaal

Per arrenslee van Zwartsluis naar Schokland, 1845

Het hierna volgende berijmde verhaal is een typisch 19e eeuws tijdsdocument waarin de bewondering voor de dichter Hendrik Tollens tot uitdrukking wordt gebracht. Het idee tot de tocht ontstaat in de Eendragt, de Sociëteit van Zwartsluis. Rob van Wijk, Anths. Zoon is de schrijver van het op rijm gemaakte verhaal. Hij was drukker en uitgever in Zwartsluis.

De togt naar Schokland met paard en narrenslede op den 15den Maart 1845 door vijf Zwartsluizers.

Voorberigt

Nog nooit kwam van den rijmelaar van het volgend Togtje naar Schokland iets gedrukt ter wereld in, en hij vermeent rede te moeten geven waarom zulks juist nu en juist zóó geschiedt, en die is: het togtje werd door hem berijmd om dat het gedaan is, en het togtje is gedaan om het zonderlinge van het geval, dat men van hier op 15 Maart met paard en narrenslede nog over het ijs naar Schokland zoude gaan, en dus uit loutere aardigheid. Ene armzalige aardigheid! roept deze en gene; zich enen gehelen dag aan zulk ene koude bloot te stellen, alleen om te kunnen, zeggen, ik heb het gedaan! En ik stem kompleet met hen in. Doch voor de zulken werd dit togtje niet berijmd, daar zij gene aardigheid in het togtje zelve vindende, natuurlijkerwijze ook gene aardigheid in de berijming van het zelve zullen vinden.

 

 

Een der Togtgenoten

Dat men, om 't lieve geld,

Een' rijmer in den rang der eedle dichters stelt,

Is juist niet aan te raden;

Maar 't kan toch niemand schaden:

Te meer, daar velen zich door rijmen beter stichten,

Dan door het waarlijk schone en hoog verheven dichten.

Dus kan (althans 't komt mij zo voor),

Een dichters-bul om 't geld er nog al taamlijk door.

P. J. Kasteleijn

 

 

Inleiding

't Was Vrijdag; -heel de wereld weet - tenminste aan Zwartsluis, Dat op dien dag om borreltijd, Geen lid van onze Sociëteit, Te vinden is in huis.  Vandaar, dat ook een negental, Zich reeds vergaderd had; En vrolijk onder pijp en glas, Dat bij de kou recht welkom was, Op de Eendragt zamen zat.

' t Gesprek liep, als 't gewoonlijk gaat, op 't nieuwtje van den dag; Men sprak van zooveel graden vorst, En dat op Zuiderzee een korst, Van zeven voeten lag. Van Urk was gist'ren nog een slee aan wal geweest met paard; En niemand, die hoe oud van dag, 't Om dezen tijd gebeuren zag; Want 't was reeds dertien Maart.

Komt! roept er een, wie gaat met mij! Wie heeft er lust en moed, Dan gaan wij morgen wel te moê, Met paard en slee naar Schokland toe. Ik ga, met wien het doet! Ons nakroost, in het verst geslacht, spreekt nog van zulk een daad; Want wat wij doen, gebeurde niet, En welligt, dat 't nooit meer geschiedt. Zolang als Schokland staat.

Men huivert enkel op 't idee, en kijkt elkander aan; Want feller was nog niet de kou, Als nu men ‘t ondernemen zou, Naar Schokland’s kust te gaan. Men wikt en weegt en overlegt; en weet niet wat en hoe; Deez' wil wel, maar kan morgen niet; Die zou wel, maar tot zijn verdriet, Staat vrouwlief 't toch niet toe.

Top! roept er eind'lijk een vol vuur, gaat gij, 'k ga met u mêe; En ik, roept hem een tweede na, Wil mijne vrouw, dat 'k met u ga, Dan geef ik paard en slee. Dra zijn nog twee met hen gereed te delen in deez' togt; En 't vijftal wordt na etenstijd,Tot nad're reegling van het feit, Bij nommer een verzocht.

 

 

Toebereidselen

Nauw was de maaltijd afgelopen, of 't vijftal zat bij een; En sprak omtrent hetgeen voor 't reisje, aan allen dienstig scheen. Men kwam al spoedig te overwegen, dat, kwam de zaak tot stand, Hier wel 't voornaamst was te bepalen, het stuk van proviand.

Een drietal werd door ons verkoren ter fine van berigt; Want, hoe men daar ook over denke, Zo'n taak is lang niet ligt. De andren moesten zitten cijfren wat kleding voor de kou, Als jassen, doeken, kouzen, mutsen men mede nemen zou. Terwijl werd iemand uitgezonden om 't paard te doen beslaan; Dat, zoo als ieder zal begrijpen, op 't ijs op scherp moest staan.

Een ander moest 't kompas gaan halen, Waar hij 't te halen wist; Ten einde wij niet zouden dwalen Bij onverhoopte mist.

Intusschen was 't verslag in orde, door 't Comité gesteld, En werd bij monde van den oudste aan ons aldus vermeld: Ten eerste: zes pond brood voor ieder, En tien pond brood voor ‘t paard; Dan dacht men waren wij voor honger en gebrek bewaard.  Ten tweede: zes paar goede worsten, waarvan er acht gerookt, En voor diegeen die ‘t liever wilden, de andere vier gekookt. Ten derde: om te kunnen roken, wat zwam en wat tabak; En eindlijk, om compleet te wezen, een flesch of twee cognac.

Dit voorstel vond men zeer volledig, en wat niet veel gebeurt, Werd ‘t met eenparigheid van stemmen door allen goed gekeurd. Zo ook werd door ons aangenomen: dat ieder voor de kou, Zich in het pak kon laten steken zo als hij 't liefste wou. Terwijl, als men zich warm wou rijden op deze kouden togt, Een ieder een paar goede schaatsen nog mede nemen mogt.

Nu bleef het uur ons te bepalen,Waarop men ‘s morgens vroeg, De grote reis zou ondernemen; want ‘t werd ligt laat genoeg. Doch spoedig hadden wij besloten, Dat men op weg zou gaan, Als we onze klok 't getal van zeven des morgens hoorden slaan. Aldus bepaald en afgesproken, Bleef 't plan gearresteerd; En alles in behoorlijke orde door ons genotuleerd.

 

 

Heenreis

Nog hield de bittre kou met wrede strengheid aan; Nog voert men slee op slee met bergen turf belaân, Om strijd langs 't Zwolsche Diep, naar alle kanten henen, Waar, door de felle vorst, de voorraad was verdwenen.

En de uitgevroren grond, waarop de zongloed brandt, Biedt slechts een sneeuwveld aan, waar zomers ’t scheepsvolk strandt. Toch was het vijftien Maart; door ijs en sneeuw omgeven Ligt nog de Zuiderzee, en biedt geen drukte of leven Van schepen zonder tal, met wakker volk aan boord: 't Is alles doodschen stil.  Het lente zonlicht gloort met matten uchtend straal. De wind jaagt door de leden, En voert de laatste sprank van onzen geestdrift mede.Toch blijft de togt bepaald.

Zodra het zeven slaat Zijn allen ook gereed, ofschoon de moed vergaat Bij den aanblik en 't gewoel van 't geen ons stond te wachten; Doch de eerste teug cognac vernieuwde ons aller krachten. Het trotsch besluit staat vast; het stout bedrijf gaat voort, Het paard komt voor de slee met proviand aan boord. De mutsen zwieren rond in de opgestoken handen; ’t Vaarwel en afscheid joelt en schatert langs de stranden;

De doeken zwaaijen; groet en handkus, 't luid hoezee, Verzelt onz' uittogt op het ijsvlak langs de reê. 't Vangt aan, het kloek bedrijf, waar 't nakroost van zal spreken: Men krijgt de schaatsen, pakt de jassen, wacht het teken. 't Verschijnt; de zweep valt neêr, en 't losgelaten paard, Vliegt ijlings over 't vlak met schier ontemb’re vaart. “Zet Zangster! zet dien togt op de aangeslagen snaren; “Volg 't vijftal met hun slee op 't ijsvlak van de baren; Bezing het waagstuk, maal den uitslag, roer en streel, En valle uw moeit' tot loon, een goed debiet ten deel!

een arrenslee met paard't Was of de kou verbood, den toeleg door te drijven; Zij doet reeds bij 't begin de vingeren verstijven, Terwijl men voor den togt de schaatsen binden zou. Een van 't gezelschap, reeds verbijsterd door de kou, Bindt ze averegts verkeerd, terwijl zijn lotgezellen Reeds voorwaarts vliegen; 't is geen tijd meer te herstellen; Hier helpt geen dralen, hij moet voorwaarts, naar hen heen,

Of hij blijft voor 't gelag van alle vijf alleen. Dit denkbeeld grijpt hem aan; hij kan, hij mag niet dralen; Hij spant zijn' krachten in, de anderen te achterhalen; Hij doet één forsche streek, herhaalt die nog eens weêr, En in een ogenblik...ligt hij op 't ijs ter neêr!

Een algemeen gelach doet van den dijk zich horen; En met verlamden moed en suizelende oren Rigt hij zijn lichaam op, en neemt een nieuwen vlugt; Maar steekt ten tweeden maal de voeten in de lucht. Nu is zijn gansche moed geheel en al vervlogen! Gelukkig krijgt er een, die vóór zijn, hem in de ogen. En met zijn val begaan en delend in zijn leed, Roept hij den voorman toe opdat hij wenden deed. Nog duiz'lend van den schok en door den schrik verschoten Wordt hij nu opgepakt door zijne togtgenoten En op de slee geplaatst, die luchtig langs het veld Van ijs en sneeuw gevormd, opnieuw weer henen snelt.

Maar nauw ‘t gevaar ontsnapt, dat een had aangevallen Genaakt een nieuwen slag, die neêrploft op hen allen: Hun toevlucht in den nood, hun voor dien tocht zoo waard Verstuikt zich tegen ‘t ijs en valt schier achterwaart. De voerman kon van schrik dat ogenblik niet spreken: En angstig, dat den togt wij moeten laten steken, Ziet hij zijn viervoet aan; doch ‘t moedig ros vergeet Om ‘s meesters koud genot, zijn eigen grievend leed; Het heft weer fier den kop, en moedig aangetrokken Draaft het weer lustig voort, dat hem de schuim met vlokken Van bek en poten vliegt; wat langer zit vergrijst. En is in ’t ogenblik dat ‘t schuim wordt ook verijst.

Aan ‘t Genemuider veer, dat openlag, gekomen, Wordt daar het paard zijn vracht voor ‘t ogenblik ontnomen, Dat over ‘t veerpad slee en voorraad werd gebragt; De taak was niet gering, doch met vereende kracht Gelukte ‘t ons in ‘t eind het ranke sleepgevaarte Te beuren over ‘t pad, waarop ‘t met heel zijn zwaarte Bleef hechten; doch de kou, die telkens feller woedt, Jaagt vuist en voeten voort met dubble drift en spoed, Al zingend op de maat van 't schoon geluid der bellen. Men bond de schaats weer aan om gauwer voort te snellen. Het veer eens achter ons, waarop men had gewacht,Verdubbelt onzen moed en sterker wordt de kracht, Die wij gevoelden;- snel vloog 't nu zeewaarts henen, En spoedig was de wal (de groene) uit 't oog verdwenen.

Gelijk het vluchtend wild, ontkomen langs het veld, Zoo reppen wij ons voort, de teugels uitgesneld. Langs Vollenhovens dreven Dwars van het Dennenbosch, in Vollenhovens dreven. Hield 't schaatsenrijden op nog uit de sneeuw geheven;. Lag tot zover een baan, maar sneeuw en ijs vergaârd, Bleef voortaan slechts een pad dat gangbaar was voor ’t paard De schaatsen moeten nu noodzakelijk los gebonden En aan de slee gehecht, daar wij niet rijden konden Op 't ijs dat we om ons zien, zover den blik slechts reikt, Daar 't land bij elken tred, die voorwaarts gaat, meer wijkt.

 

 

't Was schriklijk guur en koud; de scherpe hagels vlogen Der los gewaaide sneeuw, ons gierend langs de ogen. Of vriezen ons aan 't lijf; het paard moet stapvoets voort, Daar telkens schots bij schots den sukkeldraf verstoort. Toch blijft ons 't harte ruim, de vrees is nu verdwenen Die vroeger had gekneld; wij stappen vrolijk henen, En lagchen om den één die in een sneeuwbult valt, Of stemmen in een lied dat van den andren schalt.

Een derde, schalk in 't hart, vertelt uit vroeger jaren De kluchten die hem toen zo vaak zijn wedervaren, En siert zijn spreken op met dichterlijken gloed, Die ons, omdat hij ‘t meent, de lever schudden doet. Een vierde spreekt van ‘t geen dien avond ons zal beiden, Als wij den togt volbragt, met eerlijke bescheiden,Van Schokland zijn gekeerd, daar ons een welkomst wacht Ons door een zestal van de Eendragt toegedacht.

Zo komen we aan de Voorst; zoo lang begeerd door allen Daar het besloten was niet eerder aan te vallen Op brood, cognac en worst; het halt klinkt over zee, Wij zoeken 't een en âar en zeulen ‘t van de slee; En grijpen naar de flesch, die rond gaat in de handen, En bijten in de worst, die vast vriest om de tanden; En doen een maal zo schoon als slechts 't genot verschaft, Daar ieder van de vijf schier van den honger blaft.

De maaltijd nauw ten eind, gebruikt op hoge schotsen, In omvang groot genoeg om door te gaan voor rotsen, Gaat onze reis weer voort, al turend in 't verschiet, Of men het doel der reis, of men ook Schokland ziet. Een flauwe zwarte stip wordt eindelijk vernomen; “Komt, vrienden nog één slok, voor wij aan Schokland komen!” Roept een met geestdrift uit, "en 'k drink op deze wijs: Dat 't allen goed bekoom dit togtje over ijs”. Met ruim en goed bescheid werd dezen toast gedronken!

 

 

Schokland nadert

Jacob Kale, herbergier op Schokland, Schokland nadert meer en meer; Want wij stappen moedig voort; En wij drinken keer op keer, Niet om 't scherpe vocht zozeer, Maar omdat 't bij kou zo hoort.

Ziet!, daar staat een schokkerman In die bittre kou te visschen! Spierling, zoekt hij, voor wat brood, Dat zijn vrouw en kindren missen. Schokker! is de vangst nog goed? Kunt gij, door uw bloedig streven, Aan uw vrouw en kroost wat brood,Tot hun daaglijksch voedsel geven?

Heren 't geen ik vang is klein, En moest ik de kost verwerven, Door het geen 'k er meê verdien, O wij moesten allen sterven. Maar hier boven, leeft een God! Hij gebiedt en goede menschen Geven tot ons onderhoud, En voorzien in onze wenschen. Vijftien bange weken lang, Konden wij geen centje beuren, Want die vroeger visschen wou Zagen al hunn' netten scheuren. Doch wij werden toch gespaard; Schoon niet breed, wij konden leven; God, die ons deez' tijden gaf, Zal eens betre tijden geven.

En die taal kwam uit het hart; De arme man die stond te visschen, Zagen wij bij 't henen gaan, Dankbaar 't oog, vol tranen, wisschen.

Waar zijn wij? 't grauw verschiet hangt loodzaar naar beneden; Hier zit natuur in rouw, den doodstooi om de leden, “'t Is alles leêg, en stil, en onbezield en naar. Alleen een enkle meeuw vliegt hongrig hier en daar; Alleen een enkle plek, nog uit de sneeuw geheven, Vertoont een vale strook, die kracht bezit noch leven. Alleen een zwarte klomp, waarvoor de ijsschots stuit, Steekt boven 't zwijgend graf de kale vlakte uit. Waar vroeger baar op baar, al golvend henen rollen. Bespeurt men niets als ijs, tot schotsen zaâm gestollen,

Wij zien die vlakte en door nieuwen spoed gejaagd Verdubblen wij den pas, nu ons een rustplaats daagt. Langs palen, toren hoog en lijnregt opgespleten, Beklimmen wij een pad door de ingevoegde reten; Tot dat wij eindelijk staan; wij staan op vasten zoom. En Schokland draagt voor 't eerst ons vijven op zijn boôm.

 

 

Schokland

Hoe gaarn wij 't paard het beste gunden, Tot ons verdriet, Moest het op 't ijs zijn voeder vreten; Op 't Land kon 't niet. Tenzij wij, evenals de Kampers Des stadheers koe 't Met touw om hals en nek verzeulden Naar boven toe. Doch 't was hier minder aan te raden, Daar toch geen gras, Voor ‘t arme dier op Schoklands palen Te vinden was. Wij voerden 't beest dus met de slede Bij enen schuit, En stortten daar den zak met haver Op 't ijsvlak uit. Doch schriklijk had men 't dier bedrogen, Dat op zo’n togt Een goede portie zuivre haver Wel hebben mogt. Maar wat als haver was gemeten, Vast door een guit, Kwam toen den zak werd opgeslagen, Als haksel uit. Doch, viel het beest zijn voedsel tegen, Wij zorgden wel, Dat hem de kou, na vier uur lopens, Niet werd te fel. De jassen werden uitgetrokken; En afgedaan De doeken, die wij bij ons hadden, En 't omgedaan.

Toen konden wij gerust van harte Het land betreên, En gingen we ook zo gauw wij konden Naar Kale heen. Een welkom werd door ons gedronken, En voor ons geld, Wat koffij, brood, beschuit en boter Met kaas besteld. We lieten 't ons ter dege smaken,Want onze maag Was door de vorst en 't lustig stappen, Verschrikk'lijk graag.

“Wel, vrienden! hoe hebt gij 't gehad, Op uwen kouden togt! Mij dunkt, gij zijt uw leven zat, Dat gij zóó iets vermogt. Er leidt van u tot hier geen spoor, En gij kwaamt toch zo regtstreeks door Langs 't ijsvlak, met uw paard en sleden Door niemand nog vóór u betreden”. Zoo sprak ons Jacob Kale aan, Toen onze etenslust, Met 't geen op tafel had gestaan, Een weinig was gezust. En wij te vreê, in zoet gemak, Een versche pijp met baai tabak, Weer vrolijk hadden aangestoken En lustig zaten voort te roken.

“'Juist daarom dat geen mensch ‘t nog deed Ziet gij ons heden hier. En waarlijk ‘t was niet tot ons leed, Maar tot ons groot pleizier. Wij kwamen blijde en wel te moê Naar u, o, Jacob Kale toe, En zo gij nu op ons wilt kijven Dan kunnen wij niet bij u blijven”. “Geef liever ons van uwe hand.’t Bewijs, dat wij met paard En slee gekomen zijn bij ‘t land, En wel op vijftien Maart. Dan nemen wij dat stukje meê, En gaan straks naar uw' Dominé, Om daar bekrachtiging te vragen,Van 't geen gij van ons zult gewagen”.

En Jakob Kale schreef ’t bewijs, En stelt met eedlen zwier: “Op vijftien Maart zijn over ’t ijs Met paard en slede hier Vijf Heren, allen van Zwartsluis, Gekomen 't elf uur aan mijn huis; Op hun verzoek moest 'k hen gerijven, Door dit op het papier te schrijven”. Nauw is dit document gereed Door Kale ons vereerd, Of onze penningmeester vraagt Wat door ons werd verteerd; En aan 't bedrag door hem voldaan. Zijn wij gereed om voort te gaan En bij den Predikant te trachten Of hij 't geschrift ook wil bekrachten.

Doch nu komt 't paard ons voor den geest, Dat op het ijs zijn haksel vreet, En Kale vraagt men of voor ’t beest Hij niet een emmer water weet. En die verklaart ons op zijn woord, “Gaat, Heren, maar gerustlijk voort; Ik zal voldoen aan uw verlangen, En 't beest een emmer water langen”. Op den stoep des mans gekomen Die voorheen geen onzer zag, Bekruipt ons allen enig schromen, Dat het kwalijk werd genomen,Want het was een Zaturdag.

Naar de dominé

Maar enfin! wij moesten 't wagen, Daar de tijd niet kan verspild; 't Schelkoord wordt dus aangeslagen; En de ijzren klepel trilt. Aanstonds werd de deur geopend, En een vriendlijk aanzigt treedt Schier bevreesd ons voor de ogen Toen de deur zij open deed.-

Nauwlijks hadden we ons begeren Aan het kind geopenbaard, Of zij laat ons in de kamer, Bij een’ wel voorzienen haard. Vriendlijk werden wij ontvangen, Stoel en pijp gepresenteerd; En het glaasje, vol geschonken, Werd door ons geconsumeerd. Na een drie kwartier vertoevens, Regt genoeglijk doorgebragt, Zeggen we eind’lijk ons begeren. En waar om ‘t bezoek gebragt.

Vriendlijk werd 't verzoek bewilligd, En ‘t bewijsstuk opgesteld, Dat ‘t geschrevene van Kale Niets dan zuivre waarheid meldt. Nu dringt een van onze vrienden, Weder tot vertrekken aan, Maar de Gastheer wil niet hebben Dat wij nog zo spoedig gaan.”Wel, vrienden! van des morgen vroeg Tot kwart voor elf te stappen, Is waarlijk voor u lang genoeg Om nu wat op te knappen Mij dunkt gij allen zijt wel moe, Van‘t lopen en van‘t vasten. Stopt nog een pijp, drinkt nog eens toe,Gij kunt u hier vergasten. Geloof mij het is ook nog vroeg, En gaat gij straks weêr lopen, Gij vindt op weg kapel noch kroeg Om nat of droog te kopen”.

Hoe gaarne ‘t door ons werd gedaan Wij durfden ‘t niet proberen, Daar wij bij ‘t weder huiswaarts gaan Niet dronken wilden keren. “Nu, als het dan niet anders mag Wil ik u niet belezen, Ofschoon gij bij den heldren dag Nog altijd ‘t huis kunt wezen. Maar voordat gij vertrekken gaat, Moet gij u eerst begeven. In ‘t kerkgebouw waar voor gij staat, En kijken dat ‘reis even. “k Heb ’t makk’lijk als ik preken moet En hoef niet ver te lopen, Want nauw is mijn kudd’ bijeen Of ‘k doe deez’ deur slechts open. En met een’ enklen stap betreed 'k Van 't kerkgebouw den drempel”.

De deur ging open, en één schreed Bragt ons in Schokland's tempel. 't Gebouw is needrig, net en kleen. En opgebouwd van planken; De vrouwen stoelen staan alleen. Daar achter zijn de banken. De predikstoel staat naast de deur, Waardoor wij binnen kwamen, En heel 't gebouw wordt goed verlicht Door fiksche hoge ramen. Nauw was het kerkgebouw bezien En weer in huis gekomen, Werd door ons afscheid van den man, Wel menend ook, genomen. Wij dankten hartlijk voor 't onthaal, Dat ons was wedervaren; En dat ons allen heugen zal Een lange reeks van jaren.

Terugreis

Wij dalen langs den trap,Weer op het ijs ter neêr, En vinden straks het paard En onze slede weêr. Nu wordt de t' huisreis door ons vrolijk ondernomen, Geruster dan voorheen en zonder 't minste schromen Voor windvak of voor gat, daar de afgelegde baan Van 's morgens 't pad ons wijst op nieuw weer langs te gaan.

Doch zwaarder werd de reis; de wind was opgestoken En joeg ons in ‘t gezigt; en schoon ook weggedoken. In jassen, doek of muts, de kou grijpt vreeslijk aan, En is schier op de slee door niemand te weerstaan. Nu lopen wij er naast, dan op de slee gewrongen Omvatten we ons om 't lijf, en staan zo zaamgedrongen Tot kering van den wind, die nog al harder jaagt En elke droppel bloed uit 't koude aanzijn vaagt.

Een van 't gezelschap zit te lang reeds op de sleden En voelt een lome rust door alle zijne leden; Hij voelt zo’n zoet gemak, ’t wordt hem zo wel temoê; Hij sluit van tijd tot tijd zo rustig de ogen toe;‘t Wordt meer en meer hem zwaar een antwoord ons te geven; Een ongekend gevoel, als waar’ hij reeds ontheven Van elken aardschen band, biedt een genot hem aan Dat hij met alle kracht niet kan noch wil weerstaan. Hij is geheel bedwelmd, bewustloos weggezonken In zoete mijmering,versuft en zwijmeldronken En door de kou verlamd, die fel en feller woedt, En meer en meer den togt bezwaarlijk worden doet.

Maar nauw zien wij ’t gevaar dat een was aangevallen, En draalden wij te lang, het lot werd van ons allen, Of 't halt klinkt angstig rond; en met vereende kracht Wordt hij van uit de slee, door ons op ‘t ijs gebragt; Nauw konden wij zijn voet in 't eerst tot staan verwinnen,Doch ene teug cognac verlevendigt zijn’ zinnen, En schenkt de veerkracht weer die hem zoo straks verliet. Hij voelt, begrijpt 't gevaar,dat hij zo node ontvliedt, Vermant zich, loopt een eind en werpt van zich de boeijen Der matheid, en op nieuw begint zijn bloed t’ ontgloeijen Dat bijkans was verstijfd, en eens de moed ontgloord Grijpt hij de teugels, en stapt vrolijk met ons voort.

Een kille en bange schrik was ons om ‘t hart geslagen; Geen uur toch op de reis,zien wij een kust nog dagen; En alles wat wij zien, is een onmeetbaar veld Van ijs; ja schoon de pas van nu af wordt versneld, Nog moeten wij op ‘t minst, Drie lange uren dwalen,Voor wij aan land zijn, en gerust weer adem halen.

Het is voorwaar geen logentaal, Dat treffen tegenheên, Men meestentijds erkennen zal, Dat op deez’ aard een ongeval Maar zelden komt alleen. De waarheid die dit woord behelst, Bleek ook aan ons alras, Toen een van ons weer voor de kou Nog eventjes eens proeven wou, Maar 't vocht schier happa was. Wij keken ons beteuterd aan; En ‘t hart werd waarlijk week, Toen een voor een de flesch omhoog Geheven had, en aan ons oog, De naakte waarheid bleek.  Die drank, die nu verdwenen was, Had onzen moed geschraagd Als ons de kou verstijven deed, En menig blijde jubelkreet Ons van de tong gejaagd. Maar, schoon ook onze jammerklagt Langs ‘t ijsveld henen klonk, Het baatte niets, en voor de kou Die men nog ondervinden zou, Bleef slechts één luttle dronk.

't Was moeijelijk hoe die teug verdeeld Door allen zóó begeerd; Reeds trekt een wolk op elks gelaat, En wij zijn schier ten einde raad; Hoe de afgunst nu geweerd! Men kijkt de flesch met blikken aan Waarin de hebzucht gloort, En ligt had zij ons twist gebragt, Daar ze ons zo vriendelijk tegenlacht, Werd 't niet door één gesmoord.  “Komt, vrienden!” roept hij, “temt uw lust, En luistert naar mijn raad; Een enkle dronk rest ons, niets meer, En dus komt één, een enkle keer, De flesch nog maar te baat”.

Wat helpt het, of wij allen graag Die keer ons zien bedacht; Komt, zij de keus aan 't lot besteld; Wie 't verst in honderd schreden snelt, Dien zij de teug gebragt. Wij winnen dubbel als wij 't doen; Vooreerst: wordt niet getwist, Ten tweede: ontlopen wij de kou, Die dubbel drukkend wezen zou, Voor hem die 't zoopje mist.

't Fiat klinkt uit onz' aller mond, En met een blij geschal, Wordt uitgestoken om de beurt En wien het lot hem waardig keurt, Waar hij meê lopen zal. De strijd vangt aan; men loopt en draaft, En spant zijn krachten in, Op dat men toch van zijn partij, Zo graag op 't laatste zoopje als hij, Den grootsten afstand winn’.

En waarlijk, 't was een raar gezigt, Die hardloop op het ijs, En van een vijftal moê en stijf, Met twee paar jassen aan het lijf, En dan om zulk een’ prijs. Een drietal was er spoedig af; Maar twee zijn evenwijd En even gauw daar heen gesneld, Zo dat ze op 't tal door ons gesteld Weer staan op d’ eigen tijd.

Tot driemaal wordt hun loop hervat, En driemaal, na ’t vertrek Van 't looppunt, waar men af moet gaan, Ziet men hen even spoedig staan Weer op gelijken plek. Dus beiden kwam den eerprijs toe, Daar d’een van d'âar niet scheelt, En daar het lot geen voorkeur schonk Werd door hun beî, de laatste dronk Regt broederlijk gedeeld.  En mooi was 't dat het eind der zaak Geen van de drie ontsticht; Want 't kleine dat de flesch bezat, En dat me in twee te delen had, Maakt hun het offer ligt.

Intusschen had ons dit geval Een fiksch eind voort gebragt; Want bij het draven van de twee Ging ‘t drietal ook al dravend meê, Op dat niet werd gewacht. En lagchend om den stijven gang Die de ene lopend had, En om een tweede‘s zot figuur, Die met zo'n wonderlijk postuur In al die jassen zat, Ging onderwijl de slede voort. Daar daagt wat in 't verschiet! En juichend klinkt het uit den mond Van hem, die op de slede stond Dat hij de Voorst weer ziet.

Nu springen we allen op de slee, En 't paard wordt voort gejaagd, 't Is of de koude minder woedt, De wind ons minder letsel doet, Nu ginds de kust weer daagt. Vrolijk gaat 't nu voorwaarts henen, Met verlangen in 't gemoed; Dat wij eindlijk zullen landen En het vuur ons warmen doet. Deze hope doet ons staren Naar het lang gewenschte strand.

Terug bij de Voorst

En de klepper moet ’t misgelden. Dat 't verlangen in ons brandt. Eind'lijk aan de Voorst gekomen, Houden wij nog eenmaal stil, Daar men 't paard het laatste haksel Tot verkwikking geven wil. Blijde zien wij om ons henen Naar den afgelegden baan, En wij voelen schier geen kou meer, Bij het weder huiswaarts gaan.

“Ziet gij ginds die vlag wel wappren, Naast die molen, bij het strand?” Roept er een, “k geloof het zeker, z' Is tot welkomst daar geplant!”. “Ja zoo waarlijk!” roept een tweede, “Nu, zij houden dan toch woord Dat ze ons zouden tegen rijden, Als de reis niet werd verstoord”.En met een zien wij een wagen Langs den dijk, met groten spoed Ons voor uit naar ‘t veerpad snellen; En een doek wuift ons ten groet. ‘t Was het zestal ‘t welk te zamen, Ter gedacht’nis aan ons feit, Ons des avonds had genodigd En ons nu ter welkomst beidt. ‘t Was of ‘t paard den stal al merkte Zo geweldig liep het voort, En zijn vaart werd door geen ijsschots, Door geen sneeuwbult meer gestoord.

Eerder nog aan ‘t veer gekomen dan het zestal had verwacht, Werden nu zo spoedig mooglijk paard en slee aan wal gebragt. Om aan de andere zij te komen; Maar het ijs stelt ons te loor; Want te zwak, door 't wassend water, Stapt het paard er eenklaps door. Spoedig van de slee gespannen Trekken wij het uit het gat, Waar in ‘t, wat geluk kon heten, Slechts met de achter poten zat.

Zonder verdre ongelukken Weer gekomen op het ijs, Rest ons nog een klein half uurtje Ter voleinding van de reis. Reeds zien wij de huizen nadren; De Zwartsluizer torentrans Schemert statig ons in de ogen Als het sieraad van den Schans. Waar de togt was aangevangen, Waar ook zij weer einden zou, Daar men toch geheel voltallig Bij het landen wezen wou.

Bij het westelijk eind genaderd, Staan de vrienden reeds op 't ijs, En zij roepen ons te gader 't Welkom toe van onze reis. De eerste vraag die zich doet horen, En zij prangde ook wel het meest, Klonk bijna uit aller monden: “Ben je op Schokland toch geweest?”Ja! ‘t bewijs zal men u tonen, ‘t Reisje is door ons volbragt! En wij reek'nen, volgens afspraak, Dat gij ons van avond wacht! Top! wij zullen u verwachten, Op van avond blijft 't bepaald; En dan wordt uw Schokker-reisje Tot in 't kleinste ons verhaald.

De avond

Waar 't genoegen in dit leven Ons ten zekren leidsman strekt, Reine vreugde ons kan geven, En tot schoner werkkring wekt; Daar kan toch een blijd genieten Niet verdrieten, 't Spoort ons op deez' levensbaan. Vrienden! tot vereed'ling aan. Is de zorg der bezigheden Voor ons drukkend elken dag; Wordt soms meen'ge smart geleden Die niet elk ontdekken mag; Zou men dan geen vreugde smaken In vermaken, Die, die zorgen weg doen vliên, En ons rein genoegen biên?

Kan een edel hart het wraken Dat een ander vreugd geniet? Of een anders blijdschap laken, Wijl die lust na arbeid biedt? Neen! een edel hart zal delen, En zich strelen In 't genot, dat andren beidt,Want, die wel denkt, kent geen nijd. Vitzucht kan alleen wat vinden, Waar geen kwaad te zoeken is, En het zijn door waan verblinden, Die een valsch getuigenis Van eens anders blijdschap geven; En hun streven Is, om enkel door den schijn, Bij een ander vroom te zijn. Die, met 't hoofd omhoog geheven, Rond en gul zijn loopbaan gaat, En opregt in doen en streven, Niet om andren zijlings gaat, Die geniet met volle teugen; Hem verheugen, Door geen naberouw gewraakt, Blijde stonden die hij smaakt

Nauw had de klok door zeven slagen Aan wat Zwartsluis bewoont, vermeld Dat, ‘t zij in koude of warme dagen, De tijd geregeld henen snelt, Of weldra zaten wij te zamen, Op onze Sociëteit bij een; Er mist niet één, Van die deez’ dag van Schokland kwamen Nog van de zes Die ons een flesch, Ter welkomst hadden aangeboden.

Regt welkom was ons 't vrolijk uur, Na enen dag, voor ons zo zuur Bij andre dagen, heen gevloden. Tot in de minste kleinigheden, Moest alles van den kouden togt, Verhaald, en wat men had geleden, En zo al op dien dag bezocht. En werd ook niets door ons vergeten; Al wat gesproken of gedaan,Van 't eerst af aan, ’t Moest ieder alles van hen weten.

Bij elken grap door ons vermeld, Wordt met dengene wien het geldt, Met luid gejuich in 't rond geklonken; En onverpoosd,Wordt meen’gen toast, Op onze reis door ons gedronken. Zoo wordt door ons verheugd van zinnen Geheel de avond doorgebracht, En meen'ge zet komt ons te binnen. Waarom ter dege wordt gelacht.

”Ik heb,’ roept een, “nog iets vergeten En niet vermeld, En 't is wel aardig om te weten, En u verteld; Toen gistren 't plan was afgesproken, En onze togt bepaald, Waar ‘t mij schier lelijk opgebroken Dat ik ‘t had aangehaald. Alleenlijk om mij groot te houden, Had ik mijn woord verpand, Daar ‘k heimlijk in mij zelf vertrouwde. Dat ‘toch niet kwam tot stand. Maar toen wij 's avonds afscheid namen, En alles was besteld, Zelfs ‘t uur waarop bijeen wij kwamen,Toen werd ‘k door de angst gekweld. De togt lag schrikk'lijk zwaar me op 't harte, En toch 'k kon met fatsoen,Ten zij 'k uw aller spotlust tartte, Mij niet er van ontdoen. 'k Had nauwlijks de ogen digtgesloten, Onrustig en gejaagd, Of 'k werd door vrees’lijk zware dromen Verschrikkelijk geplaagd.

De bergen ijs die mij omringden, Zo groot als de Alpen zijn, Verleenden mij volstrekt geen doortogt, Waar ‘k de ogen ook liet wij’n, ’k Zag van ‘t gezelschap geen van allen, Ik stond geheel alleen, En digt en digter sloot de ijsmuur Zich allengs om mij heen. 't Zweet brak mij uit aan alle kanten, En 'k was geheel ontdaan, Verlamd aan voeten en aan handen, Kon ‘k van de plek niet gaan.

Daar hoor ‘k mijn naam, langs ‘t ijs geroepen,'k Wil schreeuwen, op ‘t geluid, Maar mijne keel laat, digt geknepen, Geen enkle klank er uit. De angst die mij de borst toen drukte Was schrikk’lijk, schrikk’lijk groot, En waar ‘k den droeven blik ook wendde, Niets dat mij uitkomst bood, Mijn naam klonk nu ten tweedemale Van achter d’ ijsmuur heen; Mijn knieën knikten, ‘t was of ’t leven Van uit mijn hart verdween. Daar valt me een laatste straal van hope In d’ afgetobden geest, Zo ik dien ijsberg kon beklimmen Waar ik gered geweest.

Wanhopend wil 'k den voet verzetten; 'k Probeer het, en 't gelukt, En 'k voel de angst een weinig mind’ren Die mij den boezem drukt. Ik klim voorzigtig op de schotsen, En minder steil dan ‘k dacht, Ga ‘k moedig voorwaarts, en heb spoedig 't Een goed eind ver gebragt. Ik klim en stijg en naak ten leste Den top, noch slechts een zet, En ‘k voel mij ‘t hart van vreugd reeds kloppen, Want ‘k dacht ik was gered. Maar, toen ‘k de laatste stap zou wagen Voel ik geen steunpunt meer. En duiz’lend val ik van de hoogte. Op 't harde ijs ter neêr

Bedwelmd lag ik, hoe lang? daar neder,Verbrijzeld all' mijn' leên; En toen ‘k in ‘t eind daar uit ontwaakte Was 't duister om mij heen. 'k Was schrik’lijk stijf en half bevroren, En 'k weende schier van pijn. Ik dacht elk ogenblik zou ’t laatste Mijns aardschen levens zijn.  Toch wilde ik het nog eens beproeven Of ik nog uitkomst zag, Maar ‘t was of al het ijs, verenigd, Mij op het ligchaam lag.  Daar dringt de eerste morgengloor In mijn vertrek de ramen door, 'k Lag op den grond en wat mij drukt: De hemel van mijn ledikant had ‘k dromend afgerukt.

“ Komt!”zegt er een, “voor wij wat eten, Nog eerst een pot gespeeld, Waar ieder een in deelt; Dan kunnen wij het beste weten, Wie stram en stijf, Van ‘t ijs bedrijf Terug kwam, ‘t wordt geaccepteerd En door niet een gerefuseerd, Daar niemand ‘t van ons weten wou Al was hij stijf van loop en kou. En schoon er bij zijn die de keu Niet goed handteerden, of met sjeu Een bal doubleerden, of de kans Begonnen zonder pommerans; Nog zelden werd er op ’t billard Een pot gespeeld met zo’n geneugt;

Wij lachten hartlijk bij het spel, En 't bragt veel toe tot onze vreugd. En 't geld door 't potje opgebragt, Werd door den geen die 't won den armen toegedacht.  Lustig en vrolijk En allen te vreên Werd de avond besloten Met vreugde genoten En gingen wij zamen Verheugd, als wij kwamen Huiswaarts weêr heen.

 

Bovenstaand verhaal is afkomstig van de website: http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/arresleetocht-1845.htm

 

 

Reacties