Verhaal

Overijssel in de Republiek, 1648-1748

Auteur: 
Caspar van Heel

De Nederlandse vrijheidsstrijd heeft in 1648 de band met het Duitse Rijk definitief verbroken. Bij de Westfaalse Vrede werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als souvereine statenbond erkend. Overijssel was een van de zeven staten in die bond. De provincie werd in die tijd geregeerd door Provinciale Staten en door een door die Staten benoemde stadhouder.

De Staten van Overijssel waren, zoals gezegd, de burgemeesters van de drie IJsselsteden en leden van de drie ridderschappen. De meeste burgemeesters van Deventer, Kampen en Zwolle waren zoon van een burgemeester. De leden van de ridderschappen waren adellijke mannen, minstens 25 jaar oud, bewoner van een havezate, vermogend en - sinds 1620 in elk geval - gereformeerd, d.w.z. lid van de Calvinistische kerk. Een havezate was een versterkte woning. Er was duidelijk aan te zien dat er een edelman woonde. Mooie voorbeelden van Overijsselse havezaten zijn de huizen Rechteren, Almelo, Twickel en het Nijenhuis.

Gedeputeerden en drosten

De Staten vergaderden in het voorjaar en in de herfst in Deventer, Kampen of Zwolle. Tussendoor werden de dagelijkse besognes door zes gedeputeerden geregeld. Elke stad en elke ridderschap benoemde één gedeputeerde. De zes gedeputeerden kwamen dagelijks bijeen om de besluiten van Provinciale Staten voor te bereiden of uit te voeren. Bovendien was justitie (en wat daarbij hoort) door de Staten gedelegeerd aan zes drosten. Drostambten, -gebieden waren Salland, Twenthe, Vollenhove, Haaksbergen en IJsselmuiden; Hasselt was het zesde drostambt, de drost werd echter hoogschout genoemd. De drosten hadden naast hun justitietaken ook het recht de zogenaamde drostendiensten te vorderen van de boeren in hun gebied.

Bommen Berend

Van 1672 tot 1674 was er een onderbreking van de soevereiniteit van Overijssel door Bommen-Berend. De bisschop van Munster Christoph Bernhard baron van Galen meende samen met de aartsbisschop van Keulen en de koningen van Engeland en Frankrijk de Republiek te kunnen veroveren. Hij nam Overijssel en Drenthe in, kocht zijn bommen, kruid en kanonnen in Amsterdam, (de rekeningen zijn nog terug te lezen in het stadsarchief), en moest voor Groningen opgeven. Tot 1674 bleef Overijssel, met uitzondering van Blokzijl in zijn handen, en werd de katholieke eredienst weer ingevoerd.

Meer macht voor de stadhouder

Nadat Overijssel opnieuw met de andere provincies was verenigd, kon men in de steden niet langer zelfstandig nieuwe burgemeesters kiezen. Voor elke functie moesten er twee mannen aan de stadhouder voorgedragen worden. Hij had het benoemingsrecht. Zo kreeg de stadhouder, aanvankelijk een door de provinciale staten benoemde ambtenaar, veel meer macht.