Verhaal

Oorlogsdagen in Berlijn

Auteur: 
Sjaak Onderdelinden

De oorlogswinter 1917 doet zich ook aan het thuisfront geducht voelen, niet alleen in de loopgraven van het èchte front. De krant beschikt nog steeds over een correspondent in Berlijn, die het neutrale Nederland over de toestand in het oorlogvoerende Duitsland mag inlichten. Dat gebeurt met veel meegevoel, zo’n correspondent woont tenslotte ook in een omgeving die zwaar te lijden heeft.

In het huis, waar ik woon, een voorstad met veel boomen en groen, en met veel dikke sneeuw nu, heeft elk der bewoners het offer van een familielid gebracht. Neen, met dat “offer” is (nog?) geen gesneuvelde medebewoner bedoeld, voorlopig gaat het alleen om een naar het front gecommandeerde zoon, vader of broer. En nu is daar nog een belangrijke buurman bij gekomen, namelijk de bewaker van ons huis, de groote gele boxer, wiens woedend geblaf elken vreemde onmiddellijk signaleerde. Ook een hond kon naar het front. Maar de eerste reden voor het vertrek ligt toch thuis: “Prins” moest het vaderland dienen, omdat het te lastig werd zijn voer bij elkaar te krijgen. En dan kon je je hond de oorlog in sturen, dan kreeg hij tenminste te vreten. Wat hij daar moest doen, daar dacht men thuis liever niet aan, iets met testen op gasaanvallen, het onschadelijk maken van landmijnen, of iets dergelijks. Thuis is het maar leeg, zoals het achtergebleven vrouwtje gauw genoeg merkt. Doch nu huilt zij haar oogen rood, want Prins en haar man waren dikke vrienden en hij zal den hond noode missen bij zijn eerstkomend verlof. Maar nu zit hij op den Balkan. Daar heeft onze lollige correspondent toch nog een voordeel van de verschrikkelijke oorlog ontdekt: als je de oorlogsberichten een beetje volgt, leer je nog heel wat over aardrijkskunde.

Voor het overige wordt de situatie snel minder comfortabel. Het is koud, bitter koud in Berlijn. De vlijmende wind der Siberische steppen jaagt door de straten. Voedsel wordt steeds moeilijker aan te voeren. Doch wanneer men de fantazie-prijzen betalen wil, die de levensmiddelen-woekeraars eischen, ja, dan is er nog van alles te koop. De oorlog zet de maatschappelijke verhoudingen aan het thuisfront op scherp, de scheidslijnen tussen de verschillende klassen worden verontrustend duidelijk, waarbij vooral de middenklasse de dupe is. Voor de armen wordt voldoende gedaan, de rijken kunnen zich zelf wel redden. De eerste groep is door de massaspijziging en de vele centrale keukens verzorgd. “Massaspijziging” klinkt mooi bijbels, “centrale keukens” lijken me ook smakelijker dan gaarkeukens, maar het probleem ligt dus bij den beteren middenstand, die daar niet voor in aanmerking komt, maar ook weer niet rijk genoeg is om die fantazie-prijzen van die levensmiddelen-woekeraars op te kunnen brengen. Goede raad is, zoals altijd, helemaal niet duur: zelfredzaamheid.

Het motto “lerne leiden ohne zu klagen”, een woord van de vorige keizer, is natuurlijk maar propaganda. De achtergebleven Berlijnse vrouwen bedachten hun eigen oplossing: Een resolute huisvrouw, die gaf het voorbeeld: Zij pachtte een flink stuk land aan de peripheri der stad, plantte kool en aardappelen en begon een veeteelt in het klein. Goed voorbeeld deed al snel goed volgen en zo is zij de baanbreekster voor een aantal vrouwen geworden, die voor haar eigen gezin iets doen en tevens daardoor den last der anderen lichter maken. Voor de eerste levensbehoeften kon zo heel aardig gezorgd worden, en geestelijk voedsel was er ook in overvloed. De theaters boden ruimschoots voorstellingen, en men moest er nooit méér op bedacht zijn tijdig zijn kaarten te nemen dan nu. Ja, Berlijn redde zich prima. In de Eerste Wereldoorlog. De Tweede zou nog een heel ander verhaal worden.

Reacties