Verhaal

Onze Weermacht in 1916 (honderd jaar geleden in de Zwolsche Courant)

Auteur: 
Sjaak Onderdelinden

Weermacht – als dat woord in 2016 ergens voorkomt, weet iedereen dat het over het Duitse leger gaat en dat “Weermacht” niets anders is dan een soort germanistisch-nederlandse schrijfwijze voor “Wehrmacht”. En dus wordt het vrijwel niet meer gebruikt, hoogstens nog “afweer” in sportverslagen, militair nog gebruikelijk in “afweergeschut”. Het sympathieke aan het woord is de concentratie op de verdediging, het onsympathieke de associatie met het Duitse leger en de bezetting in WO II. Van al deze overwegingen hadden ze in 1916 nog geen last, “onze weermacht” is gewoon het Nederlandse leger.

Over het leger van een neutraal land valt natuurlijk van alles te discussiëren. Moet het zo groot en sterk mogelijk zijn om de neutraliteit te verzekeren of verdient klein en kwetsbaar de voorkeur om de vreedzame neutraliteit onontkoombaar te laten lijken? Hoe dan ook, het Nederlandse leger stelde in 1916 blijkbaar niet veel voor. Het weekblad De Nieuwe Amsterdammer wijdde er een satirisch-kritisch stuk aan, dat in de krant van 2 mei, tussen alle verslagen van 1 mei-vieringen van de S.D.A.P., met graagte geciteerd wordt…

Het is meer dan nodig, de aandacht te vestigen op de achterlijkheid van onze weermacht en de noodzakelijkheid eener groote opruiming in ons legerbestuur. Een mooi voorbeeld is het aanschafbeleid van de o zo belangrijke veldhouwitsers. In 1915 hadden we er tien, daar zijn er dit jaar nog acht bijgekomen, terwijl deskundigen (?) 200 à 250 stuks nodig achten. Ook handgranaten zijn er veel te weinig, dus het werpen van handgranaten wordt bij gebrek aan handgranaten onvoldoende beoefend. Hilarisch wordt het, als het over de hoofdbedekking gaat: er is enorm veel aandacht en geld uitgegaan naar de kepi’s, terwijl de aanmaak van deugdelijke helmen achterwege blijft.

Maar de kroon wordt gespannen door de luchtmacht. Parodie van onze heele paraatheid! Want die bestaat uit het indrukwekkende aantal van 12 (twaalf) machines. Omdat we graag spreken van “onze luchtvloot”, werd die onlangs in Scheveningen gepresenteerd, voor de ogen van de toen ook al militante Koningin Wilhelmina en met belangstellende Duitse experts op de pier, zij zullen naar Berlijn brieven hebben geschreven, die daar een vrolijken middag bezorgden aan de vliegtechnici. Naast de koningin stond opperbevelhebber Generaal Snijders, en de krant ontziet zich niet, een aardig gesprekje tussen koningin en generaal te verzinnen. De generaal zou dan toegeven dat hij slechts over een uiterst beperkt aantal toestellen met ook nog eens sterk verouderde motoren kon beschikken. De laagvliegers waarover Nederland beschikt, zouden door elke veel hoger vliegende en wendbaardere tegenstander met speels gemak uit de lucht gehaald kunnen worden. Dat zou onvermijdelijk tot gevolg hebben dat onze vliegtuigen binnen enige uren zullen zijn geworden tot appelmoes, uitgestrekt op den vaderlandschen grond en verder van geen nut voor Uwe Majesteit.

Aldus geïnformeerd door haar hoogste militair, zou de koningin misschien wel geschrokken vragen, hoe het dan staat met gemaakte afspraken; iedereen was het er toch over eens, dat wij als kleine natie de wapens moesten hebben der zwakken, d.w.z. véél vliegtuigen en véél onderzeeërs. Maar dit door de majesteit geopperde bezwaar wordt de generaal nu toch te serieus, althans volgens deze fictieve weergave van hun gesprek in Amsterdammer en Zwolsche. De krant weet, waar het de publiciteitsbewuste generaal wèrkelijk om gaat: Dat zegt u wel, Majesteit, maar u neemt het geval van den somberen kant. Ziedaar de fotografen van het Leven en van de Prins, Mevrouw, zij gaan ons fotograferen! Onder de kieken zal staan, hoe belangrijk deze luchtvlootrevue geweest is… Heel handig wordt de Majesteit wel satirisch ingezet, maar tegelijk inhoudelijk gespaard – alle satire treft de Generaal. En inderdaad, op (bijna) alle officiële foto’s heeft hij altoos een forse kepi op.

Reacties