Verhaal

Mannen aan de macht - hoe lang nog? (een verhaal van 100 jaar geleden uit de Zwolsche Courant)

Mannen aan de macht – hoe lang nog?

 

Honderd jaar geleden in de Zwolsche Courant

 

 

Veel uniformen op straat, ook in het neutrale Nederland. Wat doet dat met een mens? Het antwoord op die vraag staat in de krant van 21 augustus 1915. Het opschrift luidt, onheilspellend genoeg: Machtszwelgerij. Het is nu eenmaal zo gesteld, dat het militaire uniform de man verandert. Laat iemand een pakkie-der-eere  aantrekken, en hij ontleent er een autoriteit aan, die zijn hersens noch zijn karakter hem ooit zouden verschaft hebben. Dat kan dus niet goed gaan. Conformistische minkukels brengen het het verst, en als zo iemand eenmaal een mooie officiersrang bereikt heeft, heb je al gauw de poppen aan het dansen: Aldus zwelgt menig goudbekraagde en besterd krijgsoverste in machtswillekeur. De schrijver is niet te beroerd om te suggereren, dat zulke officieren in het niet-militaire leven niet veel te vertellen hadden, niet op hun werk vanwege een dominante baas, en ook niet thuis, vanwege een al even dominante echtgenote. Maar mèt uniform wordt dat een heel ander verhaal. Volgt een opsomming van de eigenschappen die bij officieren het best tot ontwikkeling komen: Grilligheid, ijdelheid, wreedheid, heerschzucht, wrok, jaloezie, onzekerheid. En de schrijver heeft het niet zo maar verzonnen, hij baseert zich op de vaak lugubere verhalen, die ons ter oore komen. En dan komt er een gruwbare anecdote van een eerzame eenvoudige landweerman, die op een vrije dag, weliswaar in uniform, met zijn vrouw in een drukke winkelstraat loopt te shoppen, en daarbij een luitenant, uiteraard ook in uniform, over het hoofd ziet en vergeet te groeten. Dat laat deze kranige officier niet op zich zitten. Onder de ogen van zijn vrouw moet de soldaat rechtsomkeert maken en de ontmoeting met zijn meerdere overdoen, nu met correcte groet.

Tot verbazing van de journalist doet hij het ook nog, en was dat nu subliem of diep verachtelijk van den landweerman? Daar wil de verslaggever zich niet over uitlaten, maar wel laat hij hier alle journalistieke objectiviteit achter zich door deze hoop uit te spreken: vast staat, dat de hansworst, die zóó zijn gezag handhaafde, het pak slaag verdient, dat hij, als het oogenblik gunstig is, gewis niet ontloopen zal. Oproep tot insubordinatie en geweld, toe maar!

 

 

Als je het oorlogvoeren overlaat aan de ene helft der schepping, moet je je niet verbazen, dat de andere helft zich er ook mee gaat bemoeien. Daar doet die ene, mannelijke, helft, die het oorlogvoeren als zijn unieke competentie beschouwt, dan weer heel afwijzend en neerbuigend over. Op 20 augustus 1915 meldt de krant een vredesplan, ontwikkeld en gepresenteerd door het te Amsterdam gevestigde Internationale Comité van Vrouwen voor Duurzamen Vrede. Het is een heel fatsoenlijk plan, dat voorziet in een lange serie vredesconferenties: Eerst van neutrale landen, die gezamenlijk de voorwaarden voor vrede formuleren, die dan aan de oorlogvoerenden ter amendering voorleggen, en zo nog een paar keer heen en weer, tot iedereen het eens is. Heel slim is het voorstel van het Comité, al deze besprekingen in volstrekte openheid te laten plaatsvinden. Nu is er vaak censuur en per land eenzijdige overwinningsretoriek, maar als je de vredesbesprekingen openbaar maakt, zal de publieke opinie vanzelf op vrede gaan aandringen. Dit is het beste vredesplan dat wij kunnen verzinnen, zegt het Vrouwencomité, en als u wat beters weet, graag, dat zouden zij dadelijk overnemen. Hoe realistisch het plan is, blijkt al direct uit de manier, waarop (mannelijke) journalisten het in de krant zetten. De weergave ervan wordt ingeleid met het verraderlijk neerbuigende zinnetje: Het is te aardig, om ’t niet over te vertellen. Dat is al discriminerend genoeg, maar met de kop boven het plan had het militaire chauvinisme zijn positie al duidelijk ingenomen. Het artikel heet namelijk: Een snoezig plan.

 

Sjaak Onderdelinden.

Reacties