Verhaal

Knikkerverbod op een Hasselter school

Een van de spelletjes, die we in de speelpauze op school graag speelden, was knikkeren. Ja, en dan knikkeren in een knikkerpotje. Daarvoor draaide je met de hak van je schoen een kuiltje in de grond, met de hand maakte je de grond mooi glad en dan kon je gaan knikkeren.

Vreemd, dat het knikkerspel aan een seizoen gebonden was. Je speelde het niet in de zomer, maar wel in de herfst, en dan niet te ver in de herfst, want dan werd door de regen de grond doorweekt. Knikkeren was zo een spel voor de maanden september en half oktober.

We speelden eerst met gedroogde kleiknikkers, die allemaal mooie frisse kleuren hadden. Geel, rood, oranje, paars, bruin, zowel licht als donker, dat gold ook voor blauw, en natuurlijk ook groen. Ze waren er in alle kleuren van de regenboog. Er waren ook witte en zwarte kleiknikkers, maar die waren zeldzaam. Als je die een keer had, dan bewaarde je die, daar speelde je eigenlijk niet mee.

 

 

Het knikkerspel ging zo. Je nam bijvoorbeeld twee knikkers in je hand, en dan vroeg je aan de vriendjes en klasgenootjes: 'Heb je er twee bij ?' Die medespeler deed er dan twee bij en zo lagen er dan vier knikkers in je hand. Dan moest je die knikkers in het knikkerpotje gooien. Als er een oneven aantal knikkers in het knikkerpotje lag of buiten het knikkerpotje, dan had jij gewonnen, maar lagen er twee knikkers in het knikkerpotje en twee er buiten, of allemaal in het knikkerpotje of erbuiten, dan had je verloren.

Er was ook nog een variant, waarbij, als je met veel knikkers speelde, bijvoorbeeld vijf van jezelf en vijf van de ander - je had dan wel je hand vol en het gooien lukte dan niet zo goed - dat daardoor dan alle knikkers buiten het knikkerpotje lagen. Dan mocht ieder nog een keer met zijn wijsvinger over de grond tegen een knikker aan proberen om een knikker in het knikkerpotje te schuiven. De gooier was dan eerst aan de beurt. Als je van de tien knikkers er dan een had gegooid en er lagen er dus negen buiten, dan had je gewonnen, maar als die knikker niet in het potje ging, dan had hij gewonnen en hij pakte dan alle tien knikkers. Je was er dan vijf kwijt en in een volgend knikkerspelletje probeerde je die knikkers dan weer terug te winnen.

 

 

Eenvoudige spelregels. Het ging snel en als je het geluk van de wereld aan jouw kant had, dan was je na het speelkwartiertje 'een knikkerkoning'. Zo voelde je je dan en je had je zak vol met knikkers. Je moest dan wel oppassen, want als je op de knikkers ging zitten, dan waren die kleiknikkers zo maar kapot. Daarom had ik aan mijn moeder gevraagd of ze een knikkerzak voor mij wilde maken. In de periode dat er niet geknikkerd werd, hing je die zak dan aan een spijker of je legde die zak op een plank in de kast. Begin september pakte je de knikkerzak dan weer. Bovendien gingen de kleiknikkers ook niet zo gauw kapot, als ze een beetje nat waren. In je broekzak gingen ze wel gauw kapot en dat werd dan bovendien een smerig boeltje.

Na de periode van de kleiknikkers kwamen de glazen stuiters. Hard glas met een gedraaid en gekleurd figuurtje in die glazen stuiter. Ik weet niet meer, waarom die knikkers stuiters werden genoemd, want stuiten of stuiteren deden ze helemaal niet. Als je ze te hard liet vallen op de stenen, waren ze kapot of ze waren beschadigd. Je kon ze dan wel weggooien, want niemand wilde spelen met beschadigde stuiters. Een stuiter moest puntgaaf zijn. Voor het spel controleerde je dat heel goed.

 

 

Je stond er dan op, dat je de stuiters van de tegenpartij eerst zelf in de hand had en goed bekeek of er ook beschadigingen waren. Nee, je volstond niet met alleen maar kijken naar de glazen stuiter, die de tegenpartij zelf in de hand hield, de beschadigingen wist hij dan juist te verbergen. Dat gaf allemaal nog niet zoveel, als je met je vriend of met klasgenootjes speelde, maar het werd wel een ander verhaal, als je speelde met een jongen uit de straat, die niet bij jouw op school zat. Die kende je niet zo goed en die waren daarom blijkbaar minder te vertrouwen. Die van de Hervormde School uit de Rosmolensteeg, dat ging nog wel, maar die etters van de Openbare School aan het Justitie Bastion, van die Jaap en Gerdientje school, die waren echt niet te vertrouwen. We noemden die school zo, omdat die school heel veel leek op de school, zoals die getekend was op de plaatjes in onze leesboekjes van Jaap en Gerdientje van W.G. van der Hulst. Die school was precies zo, een school achter de lindebomen en de speelplaats ervoor. En ook net zo'n hek voor de speelplaats.

Toen we bij de hoofdmeester in de klas kwamen, mochten we van hem niet meer knikkeren. Niet, omdat hij vond, dat we nu te oud waren voor het knikkerspel, nee, hij verbood het ons, omdat hij vond, dat het knikkerspel een spel was, waar je heel gemakkelijk gemeen mee kon doen. Oneerlijk. Dat woord kwam niet in het woordenboek van onze meester, ons Hoofd der Christelijke School aan de Gasthuisstraat, niet voor. Hij vond dat 'zonde'.

 

 

Die meester van klas vijf en zes, was zo recht in de leer van geloven, in een ander verhaal heb ik dat ook wel eens verteld. O, hij wist alles zo goed. Hij wist ook wat goed en wat slecht voor ons was, dat maakte hij uit. Knikkeren vond hij een slecht spel en daarom verbood hij het ons. 'Je kon er, ' zo zei hij, 'gemeen bij doen'.

Als je drie bij drie deed, dan was jij winnaar met een, drie of vijf knikkers in of buiten het potje, en als het even getallen waren, dan was jij ze kwijt. Ik heb jullie eerder die spelregels uitgelegd. Als je, zo beweerde de meester, nu een knikker achter het duimpje hield, en die mikte je dan een fractie van een seconde in of buiten het knikkerpotje, al naar gelang er al kinkkers in of buiten het potje lagen, dan had jij de winst voor het grijpen. In gebaren deed hij het voor, maar nooit met echte knikkers. Daar verlaagde hij zich niet toe. Ik moet eerlijk zeggen, dat we dat eigenlijk allemaal niet zo zagen zitten. We letten goed op de handen van elkaar als er geknikkerd werd en letten er dus op of wel alle knikkers in een keer richting het knikkerpotje gingen, of dat er niet een knikker iets langzamer in of naast het knikkerpotje viel. Daar had je alle aandacht voor nodig, en dan vergat je wel eens dat het alziend oog van de meester in eens bij je stond. 'Ga jij maar naar binnen, en jij ook, jullie spelen het spel met knikkers toch, terwijl ik jullie dat verboden heb'.

Dit is de reden geweest, dat we het knikkerspel niet meer in het speelkwartiertje op school speelden, maar in de vrije tijd voor en na school. En niet op het schoolplein, nee we zochten daarvoor wel onze plekjes op. Een knikkerpotje in de grond was zo gemaakt. Als je maar uit het gezichtsveld van de meester was. Hoewel, je had altijd verklikkers. Die konden dan de volgende morgen om een wit voetje bij de meester te halen, zo fijntjes met zo'n apart stemmetje zeggen: 'Meester, gistermiddag hebben zij toch weer achter het duimpje geknikkerd!'

Dan kreeg je alsnog een uitbrander. 'Foei, foei, jullie luisteren slecht naar de meester, foei!'

'Jullie doen maar, wat moet er toch van jullie terecht komen? '

 

En wij zagen er geen centimeter verkeerds in. Helemaal geen 'foei, foei'. Mijn vader en moeder ook niet. En ook de ouders van mijn vriendje niet. Mijn moeder zei: 'Speel maar , heeft die man nu weer wat te zeuren!' Pas veel jaren later, begreep ik de betekenis en de reikwijdte van dat zinnetje heel goed. Maar ja, toen knikkerde ik niet meer.

Reacties