Verhaal

Kinderen in WO II (ooggetuige Dick van Faassen)

Dick van Faassen

wonend in Lutten (bij Hardenberg) en 9 jaar toen de oorlog uitbrak.

 

Dick van Faassen was 9  jaar toen de oorlog uitbrak, woonde in Lutten en ging op dat moment naar de School met de Bijbel.

 

                  Lutten, School met den Bijbel

 

Het begin van de oorlog

 

Ik herinner mij het begin van de oorlog nog als de dag van gisteren. In de vroege ochtend van 10 mei werden we wakker door ontploffingen. Mijn vader vertelde ons dat het oorlog was en dat de bruggen werden opgeblazen. Hij pakte zijn fiets om te gaan kijken en na lang zeuren mocht ik mee achterop.

 

De brug over de Krimvaart (officieel “Lutterhoofdwijk”) was grondig vernield. Het brugdek lag vervormd in het water. Daarna reden we naar de brug over de aftakking van de Krimvaart vanaf de Dedemsvaart in Lutten, in de volksmond “de brug van Schrijver” genoemd. Hier was het brugdek van de scharnierpunten losgeslagen, en het hing nog aan één ketting aan de pijlers. Verder ging het naar de z.g. “trambrug” naast de aardappelmeelfabriek “De Baanbreker”, die niet was vernield. Waarschijnlijk hadden de militairen het niet nodig gevonden om deze brug te ondermijnen. 

 

Duitse soldaten

Bij de trambrug zagen we de eerste Duitsers, met een fiets aan de hand. Een tweetal verkenners had de brug van Schrijver geïnspecteerd en was op de terugweg. “Kiek” zei mijn vader, “dat bint moffen”. Voor mij als schooljongen was dit een heel vreemde ervaring. Ik had toentertijd een heel rare voorstelling hiervan. In mijn ogen waren het geen mensen die daar liepen. Het waren in mijn verbeelding een soort maanmannetjes. Ze waren klein van stuk, met grote pothelmen diep over de ogen. De ene liep, in het rond loerend, met een groot pistool in de ene hand, met de andere zijn fiets meevoerend. De ander had moeite met zijn bagage. Aan zijn fiets hing een machinegeweer, terwijl hij de driepoot daarvan op de bagagedrager meevoerde. Kennelijk was deze losgeschoten, want hij viel steeds half van de fiets en de soldaat moest constant sjorren om het ding weer achterop te krijgen. We waren afgestapt bij de trambrug en stonden dit duo stiekem lachend te bekijken, hoewel we toch wel een beetje angstig waren. Het tweetal zette zijn fiets tegen de leuning van de Trambrug en ging een stuk karton ophangen waarop stond: “Brücke gesprengt - linke Seite fahren”. Ze stapten op de fiets en reden langzaam langs de linkerkant van de Dedemsvaart om verder de weg te verkennen. Mijn vader zei: “Kom jonchien, wi’j goat op huus an”, ik sprong achterop, en we reden naar huis.

 

Daarna ging ik met een paar vriendjes op grote afstand kijken toen de eerste troepen, gezeten in door paarden getrokken wagens, met het geweer tussen de knieën, over de Jachthuisweg trokken en verdwenen langs de zandweg aan de zuidkant van het kanaal, richting Dedemsvaart. Later kwamen er ook tanks, waarvan er één een stuk uit de muur van een schuur, die te dicht aan de weg stond, reed. Ook weet ik nog dat er ‘s morgens vroeg enkele Nederlandse legerauto’s met doden of gewonden vanaf de grens met grote vaart in westelijke richting reden. Waarschijnlijk was dat al voordat de bruggen waren opgeblazen. Gek eigenlijk; Het is nu ruim 60 jaar later, maar in de herinnering lijkt het nog maar zo kort geleden gebeurd!

 

Lutten tijdens de oorlog.

In een gehucht als Lutten merkte je in het begin niet zo veel van de oorlog. Het normale leven ging verder zoals voorheen. We kwamen ook niet veel met Duitsers in aanraking. Bij ons thuis was nog geen radio, dus alles wat je van de oorlog merkte moest je lezen in de krant. Deze berichten waren natuurlijk opgeblazen door de Duitse propaganda. Je las over Duitse successen en over hoeveel bruto register ton naar de kelder waren gegaan door aanvallen van U-boten.

Al in het begin van de oorlog, op 6 Juli 1944, werd een Engels vliegtuig neergeschoten bij Schuinesloot. De vier bemanningsleden zijn hierbij omgekomen en op de begraafplaats te Lutten begraven.

 

Begraafplaats in Lutten met de graven

van de op 6 juli 1944 vier omgekomen piloten

 

Toen de moffen hardere maatregelen ging nemen, werd de toestand wel wat anders. Hier en daar begon het verzet de kop op te steken. Er kwam distributie van levensmiddelen, textiel enz. Ook werd de “Arbeitseinsatz” ingesteld, waardoor veel jonge mannen werden gerekruteerd voor de oorlogsindustrie in Duitsland. Veel jongens van elders doken onder in ons dorp, zodat je nogal eens vreemde gezichten in het dorp zag. Iedereen wist dat het onderduikers waren, maar er werd niet over gepraat.

 

De jaren 1943 en 1944

De jaren 1943 en 1944 hebben de meeste indruk op mij gemaakt. De bommenraids op Duitsland kwamen op gang; eerst vooral gedurende de nacht, maar later ook op klaarlichte dag. Tegen 10 uur ‘s morgens hoorde je het gebrom in de verte, dat aanzwol en je zag dan de grote eskaders liberators en vliegende forten met witte condensstrepen er achter. In de namiddag kwamen ze terug, meestal verspreid en in minder grote aantallen. Soms kwam een aangeschoten bommenwerper laag over en in enkele gevallen werden in de buurt nog bommen geloosd. 

 

In de buurt is af en toe een vliegtuig neergestort en we waren er dan als de kippen bij om nieuwsgierig rond te neuzen en te proberen souvenirtjes mee te smokkelen. Meestal werden we door Duitse wachtposten weggejaagd.

 

Hongerwinter

Eind 1944 werd alles zo schaars dat in het westen praktisch niets eetbaars meer te krijgen was. Er was geen vervoer meer mogelijk. De winkels werden niet meer bevoorraad. De bevolking van de grote steden leed honger en kou. Een verschrikkelijke toestand; velen stierven van de honger. Wie nog een beetje krachten had, ging het platteland op om zo nog wat voedsel zien te krijgen, de zogenaamde “hongertochten”. Met wrakke fietsen zonder banden, karretjes, oude kinderwagens of een oude handkar kwamen ze naar het platteland om wat etenswaar op te scharrelen. Vaak moesten ze hun sieraden of andere dingen van enige waarde inruilen voor eten. Er was veel medelijden, maar er werd door sommige Nederlanders ook van geprofiteerd. Er zijn mensen rijk geworden van de ellende van anderen. Ook zijn mensen onderweg gestorven van honger en kou of omdat hun krachten het begaven.

 

 

Op een dag, eind 1944, kwam aan het eind van de middag een man aan de deur. Hij was gekleed in een oude, veel te wijde, winterjas en zijn broek was met een touw om zijn middel vastgebonden. Hij droeg 2 paar sokken over elkaar heen en grote oude werkschoenen. Aan mijn moeder vroeg hij of hij wat water mocht drinken. Hij zei dat hij Gerard heette. Omdat ik laat thuis was gekomen had mijn moeder nog een restje soep voor mij warm gehouden op het fornuis. Ik had medelijden met de man en zei mijn moeder hem maar mijn soep te geven. Gretig slobberde de man de soep naar binnen. "Oh," zei hij, "hij is lekker, hij is vet". Op de soep hadden een schaars paar vetoogjes gedreven. Het was immers maar een soort surrogaatsoep uit een pakje van Fino.

 

De man vertelde dat hij uit Rotterdam was komen lopen, een afstand van meer dan 200 kilometer. Hij had bij een paar boeren wat rogge en bruine bonen gekregen. Hij was bezorgd om zijn oude moeder, die in Rotterdam was achtergebleven. Mijn moeder vroeg of nog wat witte bonen wilde. Wij hadden nog wel wat voorraad, afkomstig uit onze eigen tuin. "Kunt u het missen, mevrouw?" zei Gerard. "Wij hebben nog wel wat", zei mijn moeder, "wij zijn gewend te delen wat we hebben". Gerard had aan zijn touwceintuur allerlei kleine zakjes met gekregen etenswaar hangen en toen moeder uit een schaal wat witte bonen in één van die zakjes schudde, vielen er een paar naast. De man kroop op zijn buik over de grond om de laatste boontjes op te zoeken. Dat maakte op ons een bijzondere indruk. Wij hadden eigenlijk geen idee hoe groot de ellende was.

 

Gerard wilde niet blijven slapen. Hij had de vorige nacht bij een vriendelijke boer doorgebracht en wilde ook nu daar weer naar toe. Toen hij afscheid nam, zei hij met tranen in de ogen "Ik doe dit niet meer; ik kan het niet; dit stuit me tegen de borst. Ik voel me een bedelaar". Na nogmaals nadrukkelijk en beleefd bedankt te hebben, vertrok hij. Of hij ooit in Rotterdam is teruggekomen......? Zouden hij en zijn oude moeder de oorlog overleefd hebben......?

 

De bevrijding

Op “Dolle Dinsdag”, 5 september 1944, dachten we dat de bevrijders zo zouden komen. Dat het nog zou duren tot april 1945 had niemand verwacht. Op het platteland hebben we niet echt honger geleden. Veel kon zelf in de tuin worden verbouwd en kippen en konijnen werden geslacht voor het noodzakelijke vlees. Toch was het armoede in die laatste oorlogswinter. Vooral de schaarste aan textiel, schoenen, zeep en andere benodigdheden deed zich enorm gelden.

Eindelijk was het dan zo ver. Op 6 april 1945 werd Lutten bevrijd. Mijn moeder kwam binnen: “De Engels’n kompt eran !” “Bi’j ‘t Aantien ist elemoale gries!” Bij Het Haantje was het helemaal grijs. In mijn gedachten ging het om een leger marcherende soldaten die grote stofwolken opwierpen. Maar de geallieerden hadden een andere manier van oorlog voeren. 

 

 

Vanuit de richting Ane naderde om ca. half twaalf een drietal Canadese pantserwagens. Waarschijnlijk waren ze gewaarschuwd dat er Duitsers in de school zaten, want ze stopten voor het schoolplein en richtten het geschut op de school. Op dat moment rende één van de gevangenen naar buiten en riep niet te schieten, daar de Duitsers reeds waren gevlucht in de weilanden achter de school. De Canadezen reden een paar huizen terug en schoten tussen de huizen door op de vluchtende moffen. Met behulp van een paar BS-ers werden daarna de SA-mannen uit de weiden gehaald en door de Canadezen gevangen genomen.

 

 

Mijn vriend Jan vond later op de dag in het weiland een tas met geld. Hij was een eerlijke jongen en bracht de buit bij de Canadese commandant. Die nam het geld in beslag, maar Jan mocht de tas houden.

In de late namiddag van die gedenkwaardige 6e april trok het Canadese leger zich terug richting Ane en volgde nog een bange nacht voor de Luttenaren. Een groep vluchtende mensen uit Dedemsvaart, die achter de Canadezen aan gingen, waarschuwde dat de moffen terug zouden komen. Gelukkig is dat niet gebeurd. Wel gingen mijn moeder en mijn twee zusjes en broertje die nacht slapen bij de achterburen in het veld. Mijn vader en ik bleven thuis. We sliepen gekleed, om bij het minste of geringste over het pad achter ons huis weg te kunnen vluchten. Pas toen de volgende dag de Canadezen de omgeving verder vrij maakten, voelde men zich veilig. Overal gingen vlaggen uit en liepen de mensen met oranje strikken. Lutten was vrij !

Reacties