Verhaal

Joseph Coutisson, de vluchteling van Urk

Auteur: 
Sjaak Onderdelinden

Een paar maanden eerder in 1916 was er opschudding in het interneringskamp voor Franse officieren op Urk. De aviateur Coutisson was ontsnapt! Met behulp van een roeibootje (bij Kampen teruggevonden) en met de auto van een onbekende dame uit Hattem had hij niet alleen het eiland, maar heel Nederland weten te verlaten.

Nu, in augustus, heeft hij in Parijs de correspondent van het Handelsblad ontmoet, en de vruchten van dat gesprek worden in de Zwolsche met graagte nogmaals geserveerd – ze geven een indruk van de oorlog, die in 2016 volledig op de achtergrond geraakt is, vergeten naast alle ellende van het grote sterven in de loopgraven. Hier gaat het namelijk om ouderwetse normen en waarden van officierseer en nette omgangsvormen – een officier van de luchtmacht kon zich daar allicht mee bezighouden, die bevond zich normaal gesproken ver boven het gewoel van de loopgravenoorlog, een zaak voor de zoveel proletarischer landmacht.

Coutisson is dus veilig en wel in Parijs aangekomen en heeft zich onmiddellijk weer ter beschikking van het Ministerie van Oorlog gesteld. Vanwege zijn ontberingen bij internering (op Urk dus) en vlucht (in Hattem?) heeft hij eerst een maandje vakantie gekregen, voor hij zich weer met de strijd mag bemoeien; dus heeft hij nu mooi de tijd, eens even zijn gal te spuwen over die rare neutrale Nederlanders. Kapitein Coutisson dan heeft twee ernstige grieven tegen de wijze waarop hij in Holland behandeld is. In de eerste plaats zijn die Hollanders partijdig in plaats van neutraal, zij favoriseren de Duitsers boven de Geallieerden, die met veel grooter gestrengheid behandeld  worden, ze zitten op minder comfortabele plekken en worden strenger bewaakt, al zijn recentelijk althans eenige van de al te flagrante onbillijkheden weggenomen. De Duitsers zijn naar een beter te bewaken locatie overgebracht, en de Geallieerden mogen bijvoorbeeld nu een oppasser hebben van hun eigen nationaliteit (als die er is, voor de Franschen was het een Belg), welk voorrecht vroeger alleen de Duitschers genoten. Een oppasser! En dat is geen bewaker, maar een knechtje! Maar eerlijk is het nog niet: Toch is het beschikbaar stellen van één ordonnans per vier à vijf officieren nog niet zulk een bijzondere faveur, als men bedenkt dat bijvoorbeeld in een officieren-kamp in Zuid-Frankrijk driehonderd Duitsche officieren zeshonderd Duitsche soldaten tot hun dienst hebben. Want het leger is niet alleen een strikt hiërarchische organisatie van officieren en voetvolk, het is ook een klassenmaatschappij van heren en knechten.

Coutissons tweede grief heeft ook al met officierseer te maken. Bij de erecode hoort namelijk de verplichting, je aan krijgsgevangenschap door vlucht te onttrekken. Dat is officiersplicht, en dus komt hij er tegen op, dat pogingen tot ontvluchting worden gestraft, want vluchtpogingen zijn niet alleen het recht van elke gevangene, ze zijn zelfs de dure plicht van elke krijgsgevangene, die zijn best hoort te doen zo snel mogelijk weer voor zijn land te gaan vechten. Verzwaarde gevangenschap na een mislukte ontsnappingspoging geeft dan ook geen pas, Coutisson heeft zelfs in de cel gezeten – een officier onwaardig. De Hollanders zouden er goed aan doen, zich eens grondig te informeren over die erecode van een Franse officier, want gebrek aan kennis daarvan leidt tot ernstig ongerief. Zeer onbillijk acht hij het voorts, dat toen zijn broer in doodsgevaar verkeerde tengevolge van een bij Verdun opgedane verwonding, een verlof op parool om dezen in Frankrijk te gaan bezoeken hem botweg en zonder eenige explicatie geweigerd werd. Nee, die Nederlanders begrijpen niet veel van de eer van een Frans officier. En ze discrimineren, want Engelsen krijgen wel desgewenst een poosje vrij van internering, soms zelfs om geen dringender reden dan dat ze wilden gaan trouwen!  Wat een oorlog! En wat een probleem voor Nederland, rechtvaardig neutraal te blijven!

Reacties