Verhaal

De rare wereld van 1915 (honderd jaar geleden in de Zwolsche Courant)

Auteur: 
Sjaak Onderdelinden

Tot diep in de twintigste eeuw, voor de verrekijk oppermachtig werd, was een populaire tijdspassering in de avonduren de lezing met lichtbeelden. Organisator was veelal, zeker in dorpen, de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, kortweg ’t Nut.

Een heer Nonhebel vertelt in de krant van 8 januari 1915 hoe hij met zijn lezing over Egypte in een Gelders dorp belandde, waar hij bij de burgemeester mocht logeren. Die werd toen maar aangesproken om iemand te leveren, die bij de lezing de projector kon bedienen. Daar wist de burgemeester wel raad op: een achttienjarige foto-amateur wilde zich wel met enthousiasme aan de klus wijden. Lezinggever blij, burgemeester blij, jongen blij. Maar een uur later, vlak voor begin van de vertoning, kwam de vader melden, dat zijn zoon er maar van af gezien had, want dat mijnheer de pastoor het beter vond, dat hij niet naar het “Nut” ging. Op de vraag: waarom niet? Kwam het antwoord: “omdat we bang zijn voor onzedelijke plaatjes”. Waar verbaas je je meer over, de invloed van de kerk of het toen heersende niveau van betutteling?

Lichtzinniger ging het er aan toe aan de Nederlands-Duitse grens. Toen daar een echtpaar wilde passeren, bleek de pas van mevrouw niet in orde, en vooral bleek uit niets de gehuwde staat. Papieren waren niet bij de hand, ringen met gegraveerde namen waren wel Duits maar geen Nederlands gebruik – goede raad was duur. Nu ja, toch niet zo duur: de dienstdoende grensofficier weet wel een middel, om de soliditeit van het huwelijk te controleren: hij laat ze zoenen, onkundig als hij tot zijn geluk is van een format als “Love at first kiss”. In elk geval had het echtpaar geen overwegende bezwaren tegen de test, en zij zoenden elkaar hartelijk; misschien wat te hartelijk voor een echtpaar, vond de officier, maar hij was toch overtuigd, en onze landgenooten mochten passeeren. Bizar, dat grensverkeer, en gelukkig dat dat nu eens niets met de oorlogstoestand te maken had.

 

Daar gaat wel een ingezonden stuk over, dat afkomstig is uit de Franse loopgraven en via de Temps de kolommen van de Zwolsche weet te vinden. Nu heeft de gangbare geschiedschrijving ons geleerd, dat er met Kerstmis 1914 verbazingwekkende feestelijkheden plaatsvonden aan het front: wapenstilstand en gezamenlijke kerstzang, Fransen en Duitsers in enkele uren van vreedzame verbroedering. En nu wil dit stuk, rechtstreeks uit die loopgraven, ons het tegendeel wijs maken. Geloof toch niet die verhalen van tusschen de loopgraven voetballende Fransche en Duitsche soldaten of van het heen en weer jagen van een daartusschen verdwaalden haas of van de beleefdheid elkaar te waarschuwen als het vuur weer geopend of gestaakt zal worden, of het elkaar toezingen van liederen. Verhalen, dus. Het stuk is helaas ongedateerd, dus het zou nog voor de Kerst geschreven kunnen zijn, en dan blijven de frontmythes onaangetast. Maar waar of niet waar, er naast staat een schildering van het dagelijks loopgravenbestaan en daar raak je elke illusie wel bij kwijt. Artilleriegeschut gaat meestal over de loopgraven heen, Fransen en Duitsers bestoken elkaar met geweersalvo’s, eigenlijk allemaal heel saai en prozaïsch. Voorts graven wij den ganschen dag, om onze dekking te onderhouden of te verbeteren, hozen het water onder den planken vloer uit en leven ons weinig verheffend bestaan zonder veel praten of grappen maken. Een weinig verheffend bestaan – dat is in elk geval een herkenbaar beeld, al kunnen we het ons (gelukkig!) niet voorstellen.

Reacties