Verhaal

De jeugd van tegenwoordig

Auteur: 
Sjaak Onderdelinden

Klagen over de jeugd – het is van alle tijden. In 2018 horen we dagelijks dat de jongelui zo ongelofelijk lui zijn, dat ze al cola drinkend en chips etend alleen nog maar blowen en gamen, zodat er veel te veel ernstig overgewicht hebben, terwijl ze te versuft zijn om aan een behoorlijke carrière te werken. Wat moet er van ze terecht komen? Honderd jaar geleden was het hoofdschudden van de oudere generatie (was die zelf trouwens nooit jong geweest?) precies hetzelfde, alleen waren de verwijten een beetje anders. Tijd voor een vergelijking.

De krant van 27 mei 1918 komt met een stukje, overgenomen uit een tijdschrift De Gong, het orgaan van de Tucht-Unie. De Tucht-Unie! Kom daar honderd jaar later nog eens om! Hier hebben we al direct het grootste verschil tussen toen en nu. Want over de eerste door deze Tuchtunie gesignaleerde klacht kunnen wij ons niet erg opwinden: De nood der tijden (nog is de Grote Oorlog niet voorbij) dwingt tot ontberingen, die ons honderd jaar later niet doen verblikken of verblozen: Hoort hen zuchten! Hoort hen klagen en jammeren! Klagen en jammeren over ’t gemis van een kopje thee, dat tienduizenden tijdgenooten hunner ouders nooit zelfs maar geproefd hebben! Dat zal dus eerder een klacht van de moeders dan van de kinderen geweest zijn.

Een andere klacht is een stuk begrijpelijker: Ziet ze kleumen en handenwrijven als de temperatuur in zaal of kamer toch dicht bij de 60 gr. Fahrenheit is. Dat staat gelijk aan een graadje of 15 Celsius, dus daar kun je het inderdaad wel frisjes bij hebben. En in de bioscoop kon je je ook nauwelijks opwarmen, want door verdubbeling van de accijnzen kwam daar lang niet iedereen meer binnen… Toch was rondhangen in de bioscoop nog een van de minst beklagenswaardige activiteiten, veel beter tenminste dan wanneer de jongelui zich over straat voortbewogen. Niks opgewekt en doelbewust flink marcheren, waar is de veerkrachtige stap gebleven? Slenterend, slungelend, lummelend loopen onze jongelui langs de straten, de handen in de zakken, de hoofden niet fier rechtop, maar de koppen met bleeke slappe wangen en doffe oogen als moedeloos omlaag.  Rechtop zijn het hoofden, omlaag worden het koppen. En daar blijft het niet bij. Nadere bestudering wijst uit, dat een veel te hoog percentage brildrager is, over een slecht gebit beschikt en steunzolen in de schoenen nodig heeft. Kortom, algehele degeneratie. O, als Lycurgus nog leefde! Dat was de Spartaanse wetgever, die in een zeer grijs, namelijk antiek verleden voor orde en tucht zorgde.

Maar ja, willen we die trend naar militarisme nog wel? In ieder geval gaat de stukjesschrijver lekker los over het tegendeel: materialisme. Zonder eenig ander ideaal dan voortdurend bioscoopgenot, lekker eten en drinken, warm zich koesteren en lang lui slapen gaan zij door ’t kleine leven, dat zij nooit als leven aanvoelen. Dat laatste lijkt me moeilijk te bewijzen, en het lijkt wel of de schrijver dat ook aanvoelde, want ineens gaat hij over op statistische gegevens: met cijfers kun je immers alles aannemelijk maken. Eerst komt er een tabelletje aan te pas van afgekeurde dienstplichtigen, afgekeurd wegens verschillende ziekten en gebreken. En natuurlijk is dat aantal in een paar jaar tijd vervijfvoudigd. Zoals gezegd, algehele degeneratie: Bloedarmoede, lichaamszwakte en te geringe omvang der borstkas vormen de voornaamste redenen der afkeuringen. Maar dan komt de klap op de vuurpijl: Een geheel andere statistiek toont een schrikbarende toename van het aantal… krankzinnigen in Nederland. Met de jeugd heeft dat nu niet direct te maken, en over verbeterende gezondheidszorg gaat het ook niet – het stukje eindigt met de retorisch bedoelde vraag, of het niet beter zou wezen een weinigje meer spartaansch te zijn in onze opvattingen? Vindt U?

Reacties