Verhaal

De geboorte van Overijssel (prehistorie-1086)

Auteur: 
Jan ten Hove

De geschiedenis van Overijssel begint ongeveer tweeduizend eeuwen geleden met de vorming van het natuurlijke landschap, dat op de bestaansmogelijkheden van de bewoners een beslissende invloed heeft uitgeoefend. Gedurende de laatste twee ijstijden krijgt dit landschap van hoge stuwwallen, zacht golvende dekzandruggen en drassige laagten langzaam maar zeker gestalte.

Wanneer de ijzige kou vanaf zo'n 10.000 jaar geleden wordt verdreven door een warmer klimaat, begint de mens steeds meer zijn stempel te drukken op de hem omringende groene wereld. De meest ingrijpende wijziging in de leefwijze van de prehistorische mens is de geleidelijke introductie van de landbouw. Akkerbouw en veeteelt zullen tot ver in de moderne tijd voor de meeste Overijsselaars de belangrijkste bestaansbronnen zijn. 

Missionarissen

Na de opname in het Karolingische Rijk, dat onder leiding van de in het jaar 800 tot keizer gekroonde Karel de Grote zijn hoogtepunt bereikt, doen nieuwe bestuurs- en rechtsverhoudingen hun intrede. Ook de huidge provincie Overijssel, een nog weinig ontwikkeld en dunbevolkt gebied, wordt in gouwen of graafschappen verdeeld. In het kader van het feodale stelsel krijgen leenmannen oftewel vazallen van de vorst in ruil voor militaire en politieke diensten grote stukken land toegewezen. De opbouw van deze staatsstructuur gaat gepaard met de komst van het christendom, waarbij Angelsaksische missionarissen als Lebuïnus en Marcellinus het voortouw nemen. Als economische ruggensteun voor hun reiligieuze activiteiten worden kerken en kloosters rijkelijk bedacht met aardse goederen. 

Bisschop van Utrecht

Onder de opvolgers van Karel de Grote stellen veel regionale machthebbers zich steeds onafhankelijker van het centrale gezag op. Als reactie gaan de Duitse koningen en keizers er meer en meer toe over kerkelijke leiders met overheidsgezag te bekleden. Van deze ervaren en goed geschoolde functionarissen verwachten ze meer loyaliteit. De bisschop van Utrecht, de geestelijk herder van Overijssel, profiteert van deze gang van zaken. Dankzij een indrukwekkende reek schenkingen ontpopt hij zich als een vooraanstaand wereldlijk heerser. Tegen het eind van de 11de eeuw bestaat zijn machtsgebied uit het Nedersticht (ruwweg de provincie Utrecht) en het Oversticht (Overijssel, Drenthe en een deel van Groningen). Voortaan is de kerkvorst in deze delen van zijn bisdom niet alleen verantwoordelijk voor het zieleheil van de gelovigen, maar zwaait hij er ten aanzien van bestuur, rechtspraak en defensie eveneens de scepter.