Verhaal

Cor Ponten en de muziekkritiek (een artikel van 100 jaar geleden uit de Zwolsche Courant)

Cor Ponten en de muziekkritiek

Honderd jaar geleden in de Zwolsche Courant

Het Zwolse muziekleven is vele jaren gekleurd, zo niet beheerst door de familie Ponten, waarvan Cor het meest op de voorgrond trad als pianist en als dirigent van koor Caecilia. De krant volgt zijn optredens trouw, en de recensies zijn vol van bewonderende beschrijvingen. Kritiek is niet het gebruikelijkste bestanddeel van deze stukjes. Maar daar komt verandering in. Langzaam maar zeker ontwikkelt de krant ook een zeker kritisch bewustzijn, en het is interessant om te zien, hoe daar kritische taalstrategieën voor bedacht worden.

Cor Ponten heeft vlak voor Kerstmis 1914 een concert gegeven, samen met de eveneens Zwolse zangeres Annie Vleming-van den Bergh. Delicaat genoeg: twee Zwolse kunstenaars in Odeon, voor een Zwols publiek, voornamelijk bestaande uit familie en andere fans – en dan als Zwols journalist een kritiek moeten schrijven voor de Zwolsche Courant. Hoe doe je dat? Door te kritiseren via de loftuiting: Mevrouw Vleming-van den Bergh heeft ons dan ook volop van de haar geschonken gaven doen genieten, inzonderheid na de pauze, toen zij, blijkbaar meer op dreef, zich ook geleidelijk meer geven kon. Wat zegt dat over het gedeelte vóór de pauze? Was ze toen niet op dreef? Of toch nog wel een beetje?

 

Eduard Ponten

Ook Cor Ponten krijgt ze op geraffineerde wijze uitgemeten. Zijn manier van piano spelen wordt eerst historisch gekraakt: hij is sinds een paar jaar enorm vooruit gegaan, de voordracht is meer persoonlijk geworden, de techniek, vroeger ietwat ruw en onafgewerkt, nu veel meer afgerond, en inzonderheid de toon heeft veel meer warmte gekregen. Maar toch, de keuze van zijn solostukken was meer op kracht en uithoudingsvermogen gericht, en toen hij Chopin ging spelen, waarbij echter de meer Germaansch dan wel Romaansch aanvoelende speelwijze van den pianist sterk op den voorgrond trad, werden de bezwaren duidelijk genoeg… De criticus leert snel en weet zijn bedenkingen mooi met prijzende opmerkingen te combineren.

Een paar dagen later moet er een kritiek geschreven worden over een optreden van de Wiener Operette met Wie einst im Mai. Hier gebruikt de criticus een ander taalinstrument: de retorische vraag. Was het geen genoeglijke avond, die het Wiener-operette gezelschap gisteren aan uitgaand Zwolle verschafte – en aan wat ’n goed gevulde zaal? Was ’t niet aardig om te zien, die costuums uit vier verschillende tijdperken, en niet aardig om te hooren, al die grappen en leuke wijsjes?  En zo gaan de vragen nog een tijdje door, om dan met een Nu ja – men zou misschien kunnen zeggen… om te slaan in ongezouten kritiek: onzinnig verhaaltje, banale muziek, flauwe grappen, matige spel- en zangprestaties, en dan die lange opsomming weer vrolijk af te sluiten met – men kan zo veel zeggen!  Want operette is vlot vermaak, en dat was precies wat de voorstelling bood. Kritiek leveren om  een hoekje, daar blijkt de muziekrecensent zeer bedreven in: commerciële eisen doen de vindingrijkheid opbloeien! Kritiek is okay, maar het mag natuurlijk geen abonnees kosten!

Desgewenst kon het ook een stuk harder. Toen het revuegezelschap van Henri Orvan direct na de Kerst het Zwolse publiek meende te moeten vermaken met de klucht in één bedrijf “Hannes gaat een paard koopen”  was de grens bereikt. Zijn schuine moppen waren intusschen zeer onbehoorlijk. Zij zullen voor volgende gelegenheid het nette publiek afschrikken. De krant waarschuwt maar vast en verzucht, begrijpelijk genoeg: ’t was toch maar goed, dat het stuk slechts één bedrijf groot was. De recensent mag zijn eigen mening geven, maar hij moet ook de gevoelens van het publiek vertolken – en ook nog eens de belangen van de krant in het oog houden!

Sjaak Onderdelinden

Reacties