Verhaal

‘Als je deze brief ontvangt, liefste vrouw, dan zal ik er al niet meer wezen.’

Auteur: 
Michael Amsman en Wim Coster

In mei en juli 1942 werden door de bezetters ruim 1.200 mannen als gijzelaar opgepakt en gevangen gezet in de gebouwen van de katholieke seminaries Beekvliet (bij Sint-Michielsgestel) en het eveneens Noord-Brabantse Haaren. De opgepakte mannen kwamen uit alle lagen van de bevolking. Opvallend was wel dat relatief veel gijzelaars een vooraanstaande positie innamen in de Nederlandse samenleving. Daarnaast hadden de bezetters de gijzelaars vooral gezocht in kringen die aan bepaalde Duitse plannen hun medewerking geweigerd hadden. Velen waren lid van de Nederlandse Unie of hadden zich actief verzet tegen de gelijkschakeling van de Nederlandse vakbeweging in 1940 en 1941.

De bedoeling van de bezetters met deze gijzelingen was, door te dreigen met het ter dood brengen van gijzelaars, Nederlanders te weerhouden van het plegen van verzets- en sabotagedaden. Twee keer werd het dreigement uitgevoerd. Waarschijnlijk omdat de Nederlandse bevolking verontwaardigd reageerde op deze executies, zijn verder geen gijzelaars meer om het leven gebracht. Tussen december 1942 en september 1944 werden de meeste gijzelaars vrijgelaten, maar voordien hadden acht van hen het leven gelaten.

Op 15 augustus 1942 werden vijf gijzelaars gefusilleerd in een bos bij Goirle (Noord-Brabant), als vergelding voor een aanslag op een Wehrmacht-trein in Rotterdam. Op 16 oktober 1942 werden nog eens drie gijzelaars gefusilleerd bij Woudenberg (Utrecht) – samen met twaalf verzetsstrijders uit het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, ditmaal als vergelding voor verzet en sabotage in Oost-Nederland. Het ging bij de drie gijzelaars om Jan Haantjes (1894) uit Enschede, Hein Vrind (1913) uit Almelo en Jacobus van den Kerkhoff (1898) uit Zwolle.

De 44-jarige Zwollenaar was opgepakt, omdat hij als vakbondsman had geweigerd met het nazistische Nederlands Arbeidsfront samen te werken. De mannen werden met elkaar opgesloten en die nacht was er één bewaker die hen moreel bij moest staan, de Duitser Willy Engbrocks. Ook voor deze man werd het een lange en uiterst moeilijke nacht, maar hij kon het navertellen. En dat deed hij ook.

Een drama binnen een drama

Engbrocks, een geboortige Duitser uit het Limburgse Tegelen, vertelt in een boek uit 1980 en in een documentaire hoe het allemaal was gegaan. Hij was de ‘Karteiführer’, de man, in Kamp Amersfoort, die de boekhouding voerde over alle gijzelaars in den lande.

‘Ik had die lijst’, vertelde hij, ‘en moest die kaarten uitzoeken. Ik pak één van die kaarten – de naam ben ik vergeten – en toen zie ik dat die man vijf kinderen had. En toentertijd had ik er ook vijf en ik dacht: een gijzelaar pakken… een man vader van vijf kinderen, dat kan niet!’ Hij ging naar zijn directe baas; die werd kwaad. Hij besloot naar Den Haag te bellen. Daar wilden ze eerst bellen naar Berlijn, maar uiteindelijk lieten ze de beslissing in Amersfoort, bij de chef van Engbrocks.

‘Hij sloeg met z’n vuist op mijn lessenaar… Toen zegt hij: maar er moet nu een ander gezocht worden uit het kamp. Het aantal moet kloppen! En die ander bestem jij.’ Engbrocks durfde te weigeren, waarop zijn baas zelf de keuze maakte. Er kwam een stapel kaarten op tafel, ‘met de achterkant naar boven en hij gaat er zo langs en grijpt er gewoon één uit en zegt: zo, dat is de vijftiende!’ Als ‘een soort wraak’ van zijn chef moest Engbrocks de vijftien mannen, de drie die waren overgebracht uit Beekvliet en de twaalf uit Amersfoort, in de nacht voor hun executie bewaken. Ze vroegen hem of ze brieven mochten schrijven en hij bezorgde ze papier en schrijfgerei. ‘Tegen de morgen stond professor Van Dam uit Wageningen op en zei: “Jongens we zijn Nederlanders.” En ze zongen het Wilhelmus. Maar goed, toen hoorden wij wagens komen - twee wagens - en toen zei ik: “jongens, nu zal het tijd worden.” Het was zeven uur …’

De brieven verdwenen in handen van de chef, zonder dat Engbrocks, overleden in 1983, ooit heeft geweten of ze bij de nabestaanden terecht waren gekomen. Het gebeurde wel. De twee brieven van Van den Kerkhoff, één aan zijn zestienjarige zoon Johan, met de koosnaam Boy, en één aan zijn vrouw, bevinden zich in kopie in de Collectie Zwolle 1940-1945 op het HCO. Samen met tientallen andere die hij hun, ‘portvrij’, tussen mei en oktober schreef.

Twee brieven

‘Als je deze brief ontvangt liefste vrouw dan zal ik er al niet meer wezen’, begint de brief van 16 oktober 1942 aan zijn vrouw Bregittha Engelina. ‘O schat het valt me zo ontzettend zwaar afscheid van jullie te moeten nemen, ik had nog zo graag wat bij jou en de jongen gebleven.’ Zijn celgenoten zeggen, dat hij zich ‘als een kerel moet gedragen’, maar hij kan het niet. ‘Ik kan het niet schat, ik kan het niet! Ik denk teveel aan jou m’n liefste vrouw. 17 jaar zijn wij nu getrouwd en al hebben we wel eens wat met elkander gehad, van betekenis is dit niet geweest, gelukkig mag ik zeggen. We hebben het altijd goed met elkander kunnen vinden en daar ben ik nu blij om Moeder.’ Hij zit tegenover Vrind, die hij al kende van zijn vakbondswerk. ‘Hij houdt zich goed en kan nog glimlachen.’ Zijn horloge is hem afgenomen, maar als ze het nog mocht krijgen, dan is het voor hun jongen. Verschillende vrienden mogen een keuze maken uit zijn boeken, als een persoonlijke herinnering. Hij krijgt een kop koffie en een sigaret en wordt wat rustiger.

Ook de foto van zijn vrouw is hem afgenomen, maar, schrijft hij, ‘eigenlijk hoeft dat ook niet, want ik zie je zo levendig voor me!’ ‘Lieve vrouw’, vraagt hij nog, ‘mocht ik je op de een of andere wijze iets misdaan hebben, vergeef het me dan. Lieve, lieve vrouw, gedag, mijn laatste gedachten zijn bij jou hoor, in gedachte voor de laatste keer innig omhelsd en gekust door je liefhebbende …’ De laatste woorden zijn nauwelijks leesbaar. De inkt is uitgelopen, vermoedelijk door de tranen.

Ook zoon Boy kreeg een brief. ‘De laatste brief van je vader m’n jongen, als jij dit briefje ontvangt, ben ik er niet meer. Ons afscheid van 4 mei is dus een definitief afscheid geweest.’ Zijn vader drukte hem op het hart, zich niet door verdriet te laten overmannen en goed voor zijn moeder te zorgen. In eerdere brieven had hij vol vreugde gereageerd op de goede rapportcijfers van zijn zoon, die daarvoor een rijksdaalder kreeg toegezegd. Hij was ook blij dat zijn zoon zich kwijt kon in zijn hobby’s, vliegtuigen vooral. ‘Dag m’n zoon, dag mijn lieve kerel’, eindigde hij, ‘nogmaals, zorg voor je Moeder, tracht alle verdriet ver van haar te houden, dat maakt mij het sterven gemakkelijker. Dag kerel, je Vader.’

In memoriam

‘In 1898 te Rotterdam in een eenvoudig gezin geboren, heeft onze vriend Van den Kerkhoff niet altijd een gemakkelijk leven gehad’, schreef kampgenoot J.A.H.J. van der Dussen uit Hengelo over hem in een ‘in memoriam’. Hij was timmerman geworden en al vroeg politiek actief geworden. In 1925 trouwde hij en hij ging met zijn vrouw in Velsen wonen. Het jaar daarop werd hun zoon geboren, die de roepnaam Boy kreeg. Van de Kerkhoff maakte bestuurlijk carrière en werd in 1939 in Zwolle aangesteld als districtsbestuurder van de Algemeene Nederlandsche Bouwarbeidersbond. Hij weigerde met het Nederlandsch Arbeidersfront mee te werken en daarom werd hij op 4 mei 1942 gearresteerd en overgebracht naar het gijzelaarskamp Beekvliet in St. Michielsgestel. Op het ‘bedektelijk gedaan aanbod van onmiddellijke vrijlating, wanneer hij alsnog met het N.A.F. wilde samenwerken’, ging hij niet in. Het werd zijn dood.

Nog twee Overijsselaars

Samen met Van den Kerkhoff zaten er in Beekvliet nog twee Overijsselaars gevangen. Jan Haantjes, geboren in Balk (Fr.) in 1894, was typograaf en vakbondsman. Zijn werk voor de Algemene Nederlandse Typografenbond bracht hem uiteindelijk naar Enschede. Daar werd hij tevens gekozen in de gemeenteraad, namens de Sociaal-Democratisch Arbeiders Partij (SDAP). In 1928 werd hij fractie-voorzitter, in 1937 wethouder. Hij vertegenwoordigde de SDAP ook in de Provinciale Staten van Overijssel.

Hein Vrind, geboren in 1913 in Zullchow (Duitsland), uit een gemengd Nederlands-Duits huwelijk, studeerde rechten in Leiden. Hij was actief in de jeugdbeweging, de drankbestrijding en de vredesbeweging. Hij zat wegens dienstweigering drie maanden gevangen. Als advocaat in Almelo, sinds 1937, was hij onder meer adviseur van het Bureau voor Arbeidsrecht van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Nadat het NVV in juli 1940 onder nationaal-socialistisch toezicht was geplaatst, bleef hij deze functie aanvankelijk vervullen. In juni 1941 legde hij haar echter neer. Beide mannen werden op 13 juli 1942 gegijzeld in Haaren en op 16 oktober 1942 samen met Van den Kerkhoff gefusilleerd in de bossen bij Woudenberg.

* Dit artikel is eerder gepubliceerd door Michael Amsman en Wim Coster in het Tijdschrift MSMD, 2010 MSMD nummer 1 april-mei.

Reacties