Verhaal

1663 Kloostergoederen verdeeld

Door Jan ten Hove. Na de Reformatie zijn de goederen en gelden van kloosters en andere katholieke instellingen door de overheid geconfisqueerd. De meeste kloosters raken ontvolkt; slechts een paar leven voort als wereldlijk stift voor adellijke juffers. De vraag welke goederen door de Ridderschap en welke door de hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwolle mogen worden genaast, zorgt voor veel onenigheid binnen de Staten. Eerst in 1663 brengt een moeizaam bevochten convenant de oplossing. De Ridderschap krijgt een aantal kloosters op het platteland toegewezen, terwijl de drie steden over de binnen hun grondgebied gelegen kloostergoederen mogen beschikken. Voor de stad Vollenhove geldt een aparte regeling. De resterende geestelijke goederen worden eigendom van het provinciaal bestuur, dat zijn toch al niet onaanzienlijke grondbezit in het gewest verder kan uitbreiden.