Fotoalbum

‘Eene snelheid van 20 km per uur.’ De opkomst van gemotoriseerd vervoer

De maand juni 2016 staat bij MijnStadMijnDorp in het teken van “De opkomst van gemotoriseerd vervoer”. 

Op 20 december 1895 deed de eerste automobiel haar intrede in Nederland. Het was de 26-jarige Tilburgse textielfabrikant Jos Bogaers die bij fabrikant Carl Benz in Mannheim een “rijtuig zonder paard” bestelde en Tilburg liet opschrikken. Bij het horen van de buitengewoon luidruchtige automobiel had de bevolking van Tilburg gemeend dat de tram uit de rails was geschoten. Deze eerste, primitieve auto had een verbrandingsmotor op benzine en “heeft bij goeden weg eene snelheid van 20 km per uur”.

In Overijssel was het de Enschedese directeur van NV Boekelosche Stoombleekerij, W.H. van Heek, die als eerste op 30 mei 1899 een vergunning kreeg voor het berijden van de rijkswegen. Het betrof volgnummer 70. In dat jaar kregen slechts vier andere autobezitters deze vergunning in Overijssel.

Het heeft enige jaren geduurd voordat de auto algemeen goed werd. De overheid had tientallen jaren geïnvesteerd in nieuwe spoorrails en treinstations en was in eerste instantie terughoudend om het Nederlandse wegennet aan te pakken. Toch waren er in 1939 al 100.000 auto’s op de weg.

De automobiel was in het begin vooral voor de welgestelden een leuk speeltje waar zij mee gezien konden worden. De auto was niet alleen duur in aanschaf, maar ook in onderhoud.

Menig autobezitter reed niet zelf, maar had een chauffeur die niet alleen de kunst van het rijden verstond, maar ook van het tijdrovende onderhoud. Zo had de auto dagelijks een smeerbeurt nodig en vroeg het vele koper om regelmatige poetsbeurten.

De auto was aanvankelijk nauwelijks handiger en sneller dan vervoer per paard-en-wagen. Regelmatig liet de auto het afweten en moest de chauffeur een paard regelen om het voertuig naar huis te trekken, dit tot grote hilariteit van de toekijkende boeren. Ook was er angst voor het onbekende lawaaierige voertuig. Paarden sloegen op hol en mensen reageerden hevig geschrokken en namen zelfs de kuierlatten. De automobilist moest dan stoppen om mens en dier te bedaren, alvorens verder te kunnen rijden.

Nadat de auto enigszins gangbaarder was geworden, kwamen er ook gemotoriseerde bussen, taxi’s,  ziekenwagens en vrachtwagens, w.o. verhuiswagens. De auto ging meer voordelen bieden dan paard-en-wagen, was vlotter gestart dan een paard was ingespannen en de auto was bovendien sneller op de plaats van bestemming. 

Reacties